ECLI:NL:CRVB:2002:AF3714
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit verlaging WW-uitkering wegens ontoereikende motivering
Appellant werkte via een uitzendbureau als productiemedewerker en kreeg te horen dat zijn dienstverband per 1 februari 1999 zou eindigen wegens werkvermindering en te laat komen. Hij vond deze redenen niet steekhoudend en stopte met werken een week voor het einde van het dienstverband. Gedaagde besloot daarop de WW-uitkering te verlagen van 70% naar 35% gedurende 26 weken wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank oordeelde dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden omdat hij redelijkerwijs tot het einde van het dienstverband had kunnen blijven werken. In hoger beroep werd primair betoogd dat geen sprake was van verwijtbaarheid en subsidiair dat een benadelingshandeling had moeten worden toegepast. De Raad bevestigde dat appellant verwijtbaar werkloos was, maar stelde vast dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en dat het feitenonderzoek ontoereikend was.
De Raad benadrukte dat een maatregel wegens benadelingshandeling voorrang kan krijgen boven die wegens verwijtbare werkloosheid, maar dat dit niet onomstotelijk vaststond in deze zaak. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en gaf opdracht tot een nieuw besluit op bezwaar met inachtneming van de overwegingen. Tevens werden proceskosten aan appellant toegekend.
Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de WW-uitkering wordt vernietigd en gedaagde dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen.