ECLI:NL:CRVB:2002:AF3114
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering kinderbijslag wegens onvoldoende bewijs onderhoudsbijdrage
Appellant had kinderbijslag aangevraagd voor vijf kinderen die in Marokko verblijven bij zijn ouders. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) weigerde de uitkering over de periode van het vierde kwartaal 1995 tot en met het tweede kwartaal 1997, omdat appellant onvoldoende kon aantonen dat hij in belangrijke mate voor het onderhoud had gezorgd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellant niet de originele bankafschriften kon overleggen die de betalingen duidelijk en controleerbaar zouden maken. Appellant had wel cheques en een bankverklaring overgelegd, maar de rechtbank vond dit onvoldoende bewijs. In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk voldoende verifieerbare betalingsbewijzen had aangeleverd.
De Raad overwoog dat voor het vierde kwartaal 1995 tot en met het derde kwartaal 1996 onvoldoende onderhoud was aangetoond, maar dat voor de periode van het vierde kwartaal 1996 tot en met het tweede kwartaal 1997 appellant wel had voldaan aan de onderhoudseis. De Raad oordeelde dat cheques met een bankverklaring in principe voldoen aan de eisen van eenvoudige controleerbaarheid en dat de SVB geen aanvullende voorwaarden mocht stellen zonder concrete aanwijzingen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor het genoemde tijdvak en veroordeelde de SVB tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep werd gegrond verklaard voor dit deel, terwijl de rest van het besluit en uitspraak in stand bleef.
Uitkomst: Het besluit van de SVB om kinderbijslag te weigeren over het vierde kwartaal 1996 tot en met het tweede kwartaal 1997 wordt vernietigd omdat appellant voldoende bewijs van onderhoud heeft geleverd.