ECLI:NL:CRVB:2002:AF2285
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid
Appellant was sinds 1995 in dienst bij een loonbedrijf, dat in 1997 overging in een uitzendbureau. Na ziekte en herstel verklaarde een verzekeringsarts appellant hersteld, waarna hij onbetaald verlof kreeg en zich later ziek meldde. Appellant stopte met werken begin september 1997 en vroeg in november 1997 een WW-uitkering aan, die per 21 januari 1998 werd toegekend. Gedaagde (UWV) weigerde de uitkering later omdat appellant zijn dienstbetrekking uit eigen beweging zou hebben beëindigd zonder geldige reden, en stelde dat sprake was van verwijtbare werkloosheid en benadelingshandeling.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef het standpunt van gedaagde. In hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep echter dat appellant de arbeidsovereenkomst niet heeft beëindigd en dat het enkel niet hervatten van werkzaamheden en afstand doen van loonrechten onvoldoende is om dat te concluderen. Wel was sprake van een benadelingshandeling omdat appellant bewust aanspraken had prijsgegeven, maar door onduidelijkheden en fouten bij gedaagde was er sprake van een verminderde mate van verwijtbaarheid.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat gedaagde opnieuw moet beslissen, rekening houdend met deze overwegingen. Tevens werd gedaagde veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en gedaagde moet opnieuw besluiten met inachtneming van de uitspraak.