ECLI:NL:CRVB:2002:AE6670
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke uitspraak over terugvordering WW-uitkering en boeteoplegging
Appellante kreeg een WW-uitkering toegekend vanaf juli 1997. Later bleek dat zij in week 40 van 1997 meer uren had gewerkt dan opgegeven, wat leidde tot terugvordering van de uitkering en oplegging van een boete. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen terugvordering niet-ontvankelijk en mat de boete terug tot f 100,--. Ook verklaarde zij het beroep tegen de invorderingskosten prematuur.
In hoger beroep bevestigde de Raad het oordeel over het bezwaar tegen terugvordering en de boete, maar oordeelde anders over het beroep tegen de invorderingskosten. Gezien de omstandigheden en communicatie mocht appellante redelijkerwijs aannemen dat het besluit over de invorderingskosten al genomen was, waardoor het beroep niet prematuur was. Het besluit op deze kosten werd vernietigd wegens strijd met de Werkloosheidswet en het Besluit Tica.
De Raad besloot de zaak niet terug te verwijzen naar de rechtbank, omdat het aspect van de invorderingskosten geen nadere behandeling behoeft. Tevens werd het griffierecht aan appellante vergoed. De overige onderdelen van de uitspraak van de rechtbank bleven in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit op invorderingskosten wordt gegrond verklaard en dat besluit wordt vernietigd; de overige onderdelen van de uitspraak blijven in stand.