ECLI:NL:CRVB:2002:AE6365
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing bijzondere bijstand na brandschade wegens strijd met Awb
Appellant vroeg op 31 december 1997 bijzondere bijstand aan voor kosten van woninginrichting en kleding na een brand op 24 december 1997 waarbij zijn inboedel onverzekerd was geraakt. De gemeente Helmond wees de aanvraag op 19 maart 1998 af en verklaarde het bezwaar ongegrond op 18 augustus 1998, omdat appellant onvoldoende verantwoordelijkheid zou hebben getoond en een lening van ƒ 5.000,-- als voorliggende voorziening werd beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant door de lening over voldoende middelen beschikte en tekortschietend besef van verantwoordelijkheid had. In hoger beroep betoogde appellant dat de lening betrekking had op een eerdere brand en niet op de schade van december 1997.
De Raad stelt vast dat de aanvraag ziet op de schade door de brand van 24 december 1997 en dat kosten van schade niet tot noodzakelijke kosten van het bestaan behoren volgens artikel 16 Abw Pro. De Raad oordeelt dat het besluit van 18 maart 1998 strijdig is met artikel 7:12 Awb Pro omdat de motivering onvoldoende is en de gemeente uitsluitend afging op tegenstrijdige mondelinge en schriftelijke mededelingen zonder bewijs van de lening.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, laat de rechtsgevolgen in stand, veroordeelt de gemeente in de proceskosten van appellant en bepaalt dat de gemeente het betaalde griffierecht vergoedt.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van bijzondere bijstand wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 Awb en de gemeente wordt veroordeeld in de proceskosten.