ECLI:NL:CRVB:2002:AE3910

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/5670 WVG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WvgArt. 3.1 Verordening voorzieningen gehandicapten 1994Art. 3.2 Verordening voorzieningen gehandicapten 1994Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering financiële tegemoetkoming vervoersvoorziening op grond van Wet voorzieningen gehandicapten

Appellante verzocht de gemeente Weert om een financiële tegemoetkoming voor vervoersvoorziening op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg). De aanvraag werd door de gemeente afgewezen omdat appellant niet voldeed aan het criterium van aantoonbare beperkingen die het gebruik of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken, zoals opgenomen in de gemeentelijke Verordening voorzieningen gehandicapten 1994.

De rechtbank Roermond verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. Appellante ging hiertegen in hoger beroep en voerde aan dat zij door chronische pijn en fysieke beperkingen geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer. Zij stelde niet in staat te zijn te fietsen en slechts korte afstanden te kunnen lopen.

De Raad baseerde zich op medisch advies van artsen verbonden aan de GGD Midden-Limburg, die concludeerden dat appellant ondanks haar klachten in staat is het openbaar vervoer te gebruiken. De Raad oordeelde dat de medische gegevens en adviezen onvoldoende aantonen dat appellant niet kan reizen met openbaar vervoer.

Daarom bevestigde de Raad het bestreden besluit en wees de aanvraag af. Er waren geen gronden om af te wijken van het advies van de GGD of om toepassing te geven aan bijzondere bestuursrechtelijke bepalingen. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de financiële tegemoetkoming omdat appellant niet voldoet aan het criterium van aantoonbare beperkingen die het gebruik van openbaar vervoer onmogelijk maken.

Uitspraak

00/5670 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 18 mei 1999 heeft gedaagde de aanvraag van appellante om haar ingevolge het bij of krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) bepaalde in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de kosten verbonden aan het gebruik van de eigen auto.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij besluit van 20 januari 2000 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Roermond heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 29 september 2000 ongegrond verklaard.
Appellante is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij het beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 14 maart 2001 heeft appellante haar beroepschrift aangevuld.
Desgevraagd heeft gedaagde de Raad bij brief van 11 oktober 2001 nadere informatie verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 23 januari 2002, waar appellante in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J.G.M. Ratingen en P. Coenen, werkzaam bij de gemeente Weert.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn beoordeling uit van de feiten, zoals deze zijn weergegeven in rubriek II van de aangevallen uitspraak. Partijen hebben die niet bestreden, zodat ook de Raad ze als vaststaand zal aannemen.
Bij die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat er op grond van de zich in het dossier bevindende medische gegevens, waaronder de desgevraagd door gedaagde overgelegde informatie van de huisarts en behandelend neuroloog Berns, ten aanzien van appellante weliswaar sprake is van beperkingen, maar dat zij niet voldoet aan het in de Verordening voorzieningen gehandicapten 1994 (hierna: de Verordening) opgenomen criterium "aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek die het gebruik of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken". De rechtbank heeft op die grond het beroep verworpen.
Appellante voert in hoger beroep aan dat zij geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer omdat zij lijdt aan chronische pijn. Zij stelt dit niet te kunnen bewijzen omdat er geen duidelijk zichtbare of aantoonbare afwijkingen zijn. Deze pijn is in de loop der tijd verergerd. Voorts geeft zij aan dat er ten tijde van haar aanvraag geen bushalte was in de wijk waarin zij woont. Zij acht zich niet tot fietsen in staat vanwege de toestand van haar knieën en evenwichtsproblemen en lopen kan zij naar haar zeggen slechts over korte afstanden, afhankelijk van haar pijn en energieverdeling op die dag.
Gedaagde blijft op grond van de medische advisering door de GGD Midden-Limburg bij zijn standpunt dat appellante weliswaar beperkingen heeft, maar dat zij niet voldoet aan het in de Verordening opgenomen criterium "aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek die het gebruik of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken".
In geding is de vraag of het bestreden besluit van gedaagde, waarbij zijn eerdere weigering om appellante een financiële tegemoetkoming in de autokosten toe te kennen is gehandhaafd, in rechte stand kan houden.
Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt, voor zover hier van belang, dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van vervoersvoorzieningen aan in de gemeente woonachtige gehandicapten ten behoeve van hun deelneming aan het maatschappelijk verkeer en dat het met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wvg daartoe bij verordening regels vaststelt.
In de gemeente Weert is aan de in artikel 2, eerste lid, van de Wvg bedoelde regelingsopdracht voldaan door vaststelling van de Verordening.
Artikel 3.1 van de Verordening bepaalt - voor zover in dit geding van belang - dat de door burgemeester en wethouders te verstrekken vervoersvoorziening kan bestaan uit een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer, een voorziening in natura of uit een financiële tegemoetkoming. In artikel 3.2 van de Verordening is bepaald dat een gehandicapte voor een vervoersvoorziening in aanmerking kan worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken van dit openbaar vervoer onmogelijk maken.
Ter beoordeling staat derhalve of appellante als gevolg van aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek - hetgeen impliceert, naar de Raad in soortgelijke zaken heeft overwogen, naar objectief medische maatstaf gemeten - geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer of dit vervoer niet kan bereiken.
Naar aanleiding van de aanvraag van appellante is op 26 april 1999 aan gedaagde medisch advies uitgebracht door de arts J.J. van Everdingen-Bongers, verbonden aan de GGD Midden Limburg. Naar aanleiding van de bezwaren van appellante tegen de weigering om haar aanvraag te honoreren heeft de GGD Midden-Limburg op verzoek van gedaagde opnieuw advies uitgebracht, ditmaal door de arts M.A.J. Haentjens, die ten behoeve van zijn onderzoek beschikte over gegevens van de huisarts, de behandelend neuroloog B.J. Berns en de neuroloog dr. J.F. de Rijk-van Andel. Deze medische gegevens bevinden zich onder de gedingstukken. Beide GGD-artsen concluderen op grond van hun bevindingen dat het weliswaar aannemelijk is dat appellante ten gevolge van schouder en nekklachten pijn ondervindt, maar dat zij daarmee, mede gelet op haar actieradius te voet, in staat moet worden geacht gebruik te kunnen maken van het openbaar vervoer.
In hetgeen in hoger beroep is aangevoerd noch anderszins in de voorhanden gegevens heeft de Raad aanknopingspunten gevonden om het advies van de GGD-artsen voor onjuist te houden. Uit de aan de advisering door de GGD ten grondslag liggende gegevens, bezien in samenhang met de bevindingen van de GGD, valt af te leiden dat naar objectief medische maatstaf niet is gebleken van beletselen voor appellante om ten tijde hier in geding gebruik te maken van het openbaar vervoer dan wel om dit vervoer te bereiken, zodat artikel 3.2 van de Verordening aan honorering van de aanvraag van appellante in de weg staat.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit in rechte stand houdt.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht - tenslotte - geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
recht doende,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
GdJ
43