ECLI:NL:CRVB:2001:BF3278
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- M.M. van der Kade
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende verhoging wachtgeld bij invoering 36-urige werkweek voor deeltijdambtenaar
Appellante, een voormalig ambtenaar met een deeltijdbaan van 24 uur per week, heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek tot verhoging van haar wachtgeld met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1997, de datum waarop de 36-urige werkweek werd ingevoerd.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de invoering van de 36-urige werkweek een vermindering van de arbeidsduur betrof zonder wijziging van de bezoldiging. Hoewel dit feitelijk leidde tot een verhoging van het uurloon, betekent dit niet dat er sprake is van een wijziging van de bezoldiging in de zin van het Rijkswachtgeldbesluit 1959. Daarnaast is het standpunt van appellante dat haar arbeidsduur als deeltijder gehandhaafd zou zijn gebleven op 24 uur per week niet aannemelijk, mede vanwege de beleidscirculaire die bepaalt dat de omvang van de aanstelling automatisch werd aangepast.
De Raad concludeerde dat de afwijzing van het verzoek tot verhoging van het wachtgeld terecht was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De uitspraak werd op 3 mei 2001 in het openbaar uitgesproken door voorzitter W. van den Brink en leden M.M. van der Kade en K. Zeilemaker.
Uitkomst: Het verzoek tot terugwerkende verhoging van het wachtgeld wegens invoering van de 36-urige werkweek wordt afgewezen.