ECLI:NL:CRVB:2001:AE8612
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- H. Bolt
- J.Th. Wolleswinkel
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens resterende verdiencapaciteit
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) weigerde gedaagde een uitkering op grond van de AAW en WAO toe te kennen per 13 september 1996 vanwege een resterende verdiencapaciteit van minder dan 15%. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van gedaagde gegrond en vernietigde het besluit. Het Lisv ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de schattingsmethode van Lisv, waarbij het eigen werk van gedaagde als schoonmaker werd gecombineerd met geselecteerde fulltime functies, toelaatbaar was. De Raad stelde vast dat deze functies, die overdag worden uitgevoerd, gecombineerd konden worden met het avondwerk van gedaagde. Dit leidde tot een hogere resterende verdiencapaciteit dan het maatmaninkomen.
De Raad verwierp het bezwaar van gedaagde dat een andere schattingsmethode werd gehanteerd dan bij het oorspronkelijke besluit, omdat dit standpunt al in een eerder arbeidskundig rapport was opgenomen en bekend was gemaakt. De Raad vernietigde het eerdere vonnis en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee het besluit van Lisv werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van Lisv wordt gegrond verklaard en het beroep van gedaagde ongegrond, waardoor de uitkeringsweigering blijft staan.