ECLI:NL:CRVB:2001:AD4643
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- W.D.M. van Diepenbeek
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van inkomsten uit arbeid
Appellant, voormalig zelfstandig schipper, ontving een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Gedaagde vorderde terugbetaling van onverschuldigd betaalde uitkeringen over de periode 1 januari 1995 tot 1 maart 1995 en trok de uitkering per 1 januari 1996 in, omdat appellant inkomsten uit arbeid had genoten die een verlies aan verdiencapaciteit uitsloten.
Appellant voerde aan dat zijn winst uit de vennootschap onder firma slechts bezigheidstherapie was en dat hij medisch volledig arbeidsongeschikt bleef. Tevens stelde hij dat de winstcijfers een verlies aan verdiencapaciteit aantoonden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en ook in hoger beroep oordeelde de Raad dat appellant feitelijk arbeid had verricht en inkomsten had genoten die als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 33 AAW Pro moesten worden aangemerkt.
De Raad stelde vast dat de toepassing van artikel 33 AAW Pro over een periode van drie jaar plaatsvond, waarna de aanspraak op uitkering moest worden bepaald op basis van een reële schatting volgens artikel 5 AAW Pro. De vergelijking van het inkomen uit arbeid met het maatmaninkomen liet geen relevant verlies aan verdienvermogen zien, waardoor de intrekking van de uitkering terecht was.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verwierp het beroep van appellant tegen de besluiten tot intrekking en terugvordering van de uitkering.
Uitkomst: De intrekking van de AAW-uitkering per 1 januari 1996 en de terugvordering van onverschuldigde betalingen worden bevestigd.