ECLI:NL:CRVB:2001:AB2484
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep kort geding
- J.G. Treffers
- G.A.J. van den Hurk
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit afwijzing uitkering IOAW wegens woonplaats echtgenote in Turkije
Appellant, wonende in Turkije, verzocht om een IOAW-uitkering op grond van de norm voor een echtpaar. Het College van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage wees dit verzoek af omdat de echtgenote van appellant in Turkije woont, waardoor op grond van artikel 5, tweede lid, van de IOAW geen recht op een uitkering op grond van de norm voor een echtpaar bestaat.
Appellant stelde dat dit woonplaatsvereiste in strijd is met bepalingen van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid (EVSZ), het Besluit 3/80 van de Associatieraad, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). De Raad overwoog dat het beginsel van gelijke behandeling uit het Besluit 3/80 niet van toepassing is omdat de echtgenote niet binnen een lidstaat van de EU woont.
Verder oordeelde de Raad dat het woonplaatsvereiste van de IOAW gerechtvaardigd is gezien het doel van de regeling, namelijk het bieden van een inkomensvoorziening aan oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers die in Nederland verblijven. Het onderscheid naar woonplaats is een legitiem doel en het middel is geschikt en noodzakelijk.
De Raad concludeerde dat het besluit van 29 april 1997 om het bezwaar van appellant ongegrond te verklaren, moet worden bevestigd. Er is geen strijd met het IVBPR of het EVRM, en appellant kan geen beroep doen op het EVSZ omdat in de relatie tussen Nederland en Turkije een ander verdrag geldt. De uitspraak van de rechtbank wordt daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de afwijzing van de IOAW-uitkering op grond van de norm voor een echtpaar wordt ongegrond verklaard en het besluit bevestigd.