Uitspraak
ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
MOTIVERING
BESLISSING
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als leraar wiskunde sinds 1984, werd wegens ziekte arbeidsongeschikt en kreeg een korting van 20% op zijn bezoldiging volgens artikel I-E3 van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (RpbO). Hij stelde dat zijn arbeidsongeschiktheid het gevolg was van zijn werkomstandigheden en verzocht om toepassing van artikel I-E5 RpbO voor voortzetting van volledige bezoldiging.
De vereniging en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen wezen dit verzoek af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Raad constateerde dat bezwaar tegen het besluit mogelijk was en dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet ontvankelijk had verklaard. Desondanks behandelde de Raad de inhoudelijke vraag.
De Raad oordeelde dat de ziekte van appellant van psychische aard is, maar dat er geen objectief vastgestelde abnormale of excessieve factoren in de werkomstandigheden aanwezig waren die de ziekte veroorzaakten. Een inspectierapport en andere stukken toonden aan dat de onhoudbare situatie mede te wijten was aan de persoonlijkheidsstructuur van appellant en niet aan de werkomstandigheden. Het verzoek om voortzetting van volledige bezoldiging werd daarom terecht afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om voortzetting van volledige bezoldiging wegens ziekte veroorzaakt door werkomstandigheden wordt afgewezen.