ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9101
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Ch. de Vrey
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit over vorm bijstand wegens schending informatieplicht en onjuiste vermogenswaardering
Appellant vroeg bijstand aan na beëindiging van zijn onderneming, maar verstrekte onvoldoende informatie over zijn financiële situatie. Hij was medevennoot in een VOF en had een auto op zijn naam die niet was opgegeven. De bijstand werd aanvankelijk geweigerd vanwege deze onvolledige informatie.
Na bezwaar werd bijstand toegekend met een sanctie van 20% verlaging wegens schending van de informatieplicht en een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, mede omdat appellant een verzekeringsuitkering aan zijn medevennoot had overgemaakt. De bijstand werd deels als geldlening verstrekt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad oordeelde dat appellant terecht werd gesanctioneerd voor de informatieplicht en het tekortschietend besef. Wel werd geoordeeld dat de gemeente ten onrechte geen rekening hield met belastingschulden bij de berekening van het vermogen, waardoor het besluit over de vorm van de bijstand vernietigd moest worden.
De Raad bepaalde dat de gemeente een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak en veroordeelde de gemeente in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit over de vorm van de bijstandverlening wordt vernietigd en de gemeente moet een nieuw besluit nemen rekening houdend met belastingschulden.