ECLI:NL:CRVB:2000:AL6356
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- R.M. van Male
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering bij minder dan 15% arbeidsongeschiktheid
De zaak betreft het hoger beroep van de erfgename van de betrokkene tegen het besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) tot intrekking van de WAO-uitkering per 1 juni 1996, omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou zijn.
De rechtbank had het besluit vernietigd wegens een onzorgvuldige voorbereiding, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten omdat de arbeidsongeschiktheid volgens haar minder dan 15% was. De Centrale Raad van Beroep toetst dit oordeel en bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding correct is vastgesteld.
De Raad overweegt dat eerdere besluiten met betrekking tot de maatmanfunctie en het maatmaninkomen niet bindend zijn voor de huidige beoordeling en dat deze volledig getoetst kunnen worden. Er is geen bewijs dat de betrokkene zijn dienstbetrekking heeft beëindigd vanwege arbeidsongeschiktheid. Ook de stelling dat een toeslag per geviste mand kokkels niet is meegenomen, wordt verworpen wegens gebrek aan bewijs.
De Raad concludeert dat de intrekking van de uitkering terecht is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, zij het met verbeterde gronden. Er is geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak is gedaan door voorzitter Spaas en leden van Male en Simon op 7 november 2000.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.