ECLI:NL:CRVB:2000:AF3983
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- J.H. van Kreveld
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens blijvende ongeschiktheid en korting bezoldiging militair
Appellant, adjudant-onderofficier bij de Koninklijke Landmacht, werd geconfronteerd met een besluit waarbij zijn bezoldiging werd verlaagd tot 80% vanwege ziekte die niet in overwegende mate door zijn werkzaamheden werd veroorzaakt. Tevens werd hij ontslagen wegens blijvende ongeschiktheid op grond van een schizofrene stoornis.
Na diverse medische onderzoeken, waaronder een militair geneeskundig onderzoek en een herhaald onderzoek, werd geconcludeerd dat appellant blijvend ongeschikt was voor militaire dienst. De Raad achtte de medische oordelen die dit bevestigden, waaronder het rapport van Von Bargen, beslissend en verwierp tegenstrijdige rapporten die geen afgerond oordeel gaven.
Appellant voerde aan dat zijn psychische klachten voortkwamen uit abnormale of excessieve werkomstandigheden en dat hij onvoldoende kansen had gekregen op bevordering. De Raad oordeelde dat noch de medische rapporten noch de omstandigheden van zijn werkzaamheden een abnormaal of excessief karakter hadden, en dat gevoelens van onvrede en krenking dit niet veranderen.
Daarom bevestigde de Raad zowel het besluit tot korting van de bezoldiging als het ontslagbesluit wegens blijvende ongeschiktheid. De Raad vond dat gedaagde in redelijkheid tot deze besluiten kon komen op basis van de beschikbare medische en feitelijke gegevens.
Uitkomst: De Raad bevestigt het ontslag wegens blijvende ongeschiktheid en de korting op de bezoldiging omdat de ziekte niet in overwegende mate door het werk werd veroorzaakt.