ECLI:NL:CRVB:2000:AE8643
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening toeslag bijstand na 21e verjaardag inwonende dochter
Eiseres ontving sinds 1993 een bijstandsuitkering, inclusief een toeslag voor een alleenstaande met inwonende kinderen. Met het bereiken van de 21-jarige leeftijd van haar dochter werd de toeslag 'toeslag voormalig alleenstaande ouder' (tvao) beëindigd en de standaard toeslag verlaagd van 20% naar 5% van de gehuwdennorm. Verweerder paste deze verlaging toe vanaf 31 maart 1998, maar betaalde de hogere toeslag door, waarna hij een herzieningsbesluit nam en het te veel betaalde bedrag terugvorderde.
De rechtbank oordeelde dat de verlaging van de toeslag per 31 maart 1998 niet juist was omdat niet was vastgesteld dat het inkomen van de dochter gelijk was aan of hoger dan 70% van de norm. Verweerder beriep zich op een fictief inkomen van de dochter, wat door de rechtbank werd verworpen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat bij de vaststelling van het inkomen voor toeslagen het feitelijke inkomen van de inwonende dochter moet worden genomen, tenzij sprake is van uitzonderingen zoals het niet ontvangen van een rechtmatig loon. Omdat dit niet het geval was, is het beroep van verweerder ongegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitkomst: Het besluit tot herziening en terugvordering van de toeslag bijstand is vernietigd omdat alleen het feitelijke inkomen van de inwonende dochter in aanmerking mag worden genomen.