ECLI:NL:CRVB:2000:AE8571
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- J.C.F. Talman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking aanwijzing waarnemend burgemeester na ontslag als burgemeester
Appellant was burgemeester van de gemeente [Y.] en werd tevens waarnemend burgemeester van de gemeente [Z.]. Na zijn ontslag als burgemeester van [Y.] wegens gedragingen die het aanzien van het ambt schaadden, trok de Commissaris van de Koningin zijn aanwijzing als waarnemend burgemeester van [Z.] in. Appellant maakte bezwaar tegen deze intrekking, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het ontslag en de intrekking van de aanwijzing ongegrond. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat de aanwijzing als waarnemend burgemeester een rechtspositie verschaft die vergelijkbaar is met die van een benoemde burgemeester, zodat rechtsbescherming tegen rechtspositionele besluiten geboden is.
De Raad vond dat het besluit tot intrekking van de aanwijzing terecht was genomen, omdat het ontslag als burgemeester wegens het schaden van het aanzien van het ambt ook meebrengt dat appellant niet geschikt is voor voortgezette waarneming van het burgemeesterschap. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot intrekking van de aanwijzing als waarnemend burgemeester en verklaart het hoger beroep ongegrond.