ECLI:NL:CRVB:2000:AA9346
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. 't Hooft
- D.J. van der Vos
- R.M. van Male
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bijdrageplichtig inkomen AWBZ-verblijf na bezwaar tegen bijdragebesluit
In deze zaak gaat het om een geschil tussen de erven van A. en B. en de zorgverzekeraar over de vaststelling van de eigen bijdragen voor het verblijf van A. en B. in een verzorgingshuis. De zorgverzekeraar had besloten dat zij per 1 juli 1997 een bijdrage moesten betalen op grond van de Overgangswet Verzorgingshuizen en het Bijdragebesluit zorg. De rechtbank verklaarde het beroep van de erven ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld.
De kern van het geschil betreft de vraag of bij het bepalen van het bijdrageplichtig inkomen ten onrechte rekening is gehouden met een belastingteruggave die verband houdt met buitengewone lasten (ziektekosten). De erven stelden dat hierdoor de lasten niet correct in aanmerking zijn genomen. De Raad volgt echter de rechtbank en oordeelt dat deze grief niet slaagt.
Daarnaast werd aangevoerd dat het parlementaire kamerstuk en de beantwoording door de staatssecretaris wijzen op onbillijkheid en mogelijke wetswijzigingen. De Raad acht dit onvoldoende om het besluit te wijzigen, mede omdat geen concrete wetswijzigingen zijn aangekondigd die relevant zijn voor het geschil.
De Raad concludeert dat het aparte inkomensbegrip binnen de AWBZ-regeling bewust is gekozen om het netto besteedbaar inkomen zo goed mogelijk vast te stellen. Onderzoek naar harmonisatie van inkomensbegrippen is nog gaande en eventuele wijzigingen zullen niet eerder dan 1 januari 2002 ingaan. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het bestreden besluit en verklaart het beroep ongegrond.