ECLI:NL:CRVB:2000:AA6775
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- J.C.F. Talman
- J.H. van Kreveld
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsuren en uitkeringsrecht bij werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel
De zaak betreft een geschil over de toepassing van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO) op de berekening van het uitkeringsrecht van een werkloze ambtenaar. Gedaagde verrichtte sinds 1993 onbetaalde werkzaamheden in het bedrijf van haar echtgenoot en vanaf 1995 betaalde arbeid. Appellant bracht alle arbeidsuren in mindering op het uitkeringsrecht, terwijl de rechtbank oordeelde dat de arbeid die vóór de werkloosheid werd verricht buiten beschouwing moest blijven.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat het begrip "inkomsten die ontstaan zijn na het tijdstip van werkloosheid" niet direct helder is, maar dat bij de berekening van het uitkeringsrecht niet de inkomsten, maar arbeidsuren centraal staan. De uren die gedaagde in 1993 verrichtte zijn aan te merken als uren waarmee inkomen werd verworven, aangezien de opbrengst van het bedrijf aan haar en haar echtgenoot toekwam. De wijziging in aard en omvang van de beloning vanaf 1995 verandert dit niet wezenlijk.
De Raad oordeelt dat vanaf 1 januari 1996 arbeidsuren tot een omvang van één dag per week (8 uren) buiten beschouwing moeten blijven bij de vermindering van het uitkeringsrecht. Het beroep van gedaagde dat zij gemiddeld twee dagen per week werkte is niet aannemelijk gemaakt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde. Tevens dient appellant een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat arbeidsuren tot één dag per week die vóór werkloosheid zijn verricht buiten beschouwing blijven bij de vermindering van het uitkeringsrecht.