ECLI:NL:CRVB:2000:3
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.G. Treffers
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Afwijzing IOAZ-uitkering wegens aanvraag na beëindiging bedrijf
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank Amsterdam waarin zijn aanvraag voor een IOAZ-uitkering werd afgewezen omdat deze na de beëindiging van zijn bedrijf was ingediend.
De Centrale Raad van Beroep heeft het bestreden besluit van 10 januari 1997 getoetst en onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de aanvraag niet ontvankelijk is op grond van artikel 5, tweede lid, aanhef en ten vierde, van de IOAZ. Dit artikel stelt als voorwaarde dat de aanvraag moet worden gedaan vóór de beëindiging van het bedrijf om recht op uitkering te hebben.
De Raad verwierp het verweer van appellant dat deze bepaling slechts een bezwaar vormt tegen toekenning met terugwerkende kracht. De Raad concludeert dat het bestreden besluit terecht in stand is gelaten en ziet geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De uitspraak werd gedaan op 11 januari 2000 door de Centrale Raad van Beroep, waarbij de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag voor de IOAZ-uitkering wordt afgewezen omdat deze na beëindiging van het bedrijf is ingediend.