ECLI:NL:CRVB:1999:AA3970
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- Th.C. van Sloten
- P.H. Hugenholtz
- Rechtspraak.nl
Vernietiging sanctiebesluit wegens disproportionele weigering WW-uitkering na beëindiging dienstverbanden
Appellante was werkzaam in twee dienstverbanden die per 1995 werden ontbonden vanwege het niet melden van nevenwerkzaamheden en onduidelijkheden over ziekteverzuim en doorwerken bij de andere werkgever. Gedaagde, het Landelijk instituut sociale verzekeringen, kende WW-uitkeringen toe maar legde een sanctie op van blijvende gehele weigering wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante redelijkerwijs had kunnen voorzien dat haar gedragingen tot ontslag zouden leiden en dat gedaagde bevoegd was de sanctie op te leggen. Echter is de sanctie voor het uitkeringsrecht per 4 april 1995 disproportioneel en strijdig met het evenredigheidsbeginsel en artikel 3:4 Awb Pro.
De Raad vernietigt het besluit voor zover het de sanctie per 4 april 1995 betreft en beveelt gedaagde een nieuw besluit te nemen. De proceskosten worden aan appellante toegekend en het betaalde griffierecht wordt vergoed. De overige sancties blijven gehandhaafd.
Uitkomst: Het besluit tot blijvende gehele weigering van de WW-uitkering per 4 april 1995 wordt vernietigd en gedaagde dient een nieuw besluit te nemen.