ECLI:NL:CRVB:1998:AA8774
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.G. Kasdorp
- G.A.J. van den Hurk
- J.H. van Kreveld
- Rechtspraak.nl
Bevestiging opschorting bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder sinds de beëindiging van haar samenleving met haar ex-echtgenoot C in september 1994. Naar aanleiding van een onderzoek van de sociale recherche werd vastgesteld dat C mogelijk weer bij appellante woonde, wat de grond vormde voor opschorting van haar uitkering per 1 februari 1996.
De Raad overwoog dat de opschorting beoordeeld moest worden op basis van de toen geldende Algemene Bijstandswet (ABW). De verklaring van de moeder van C, waarin zij stelde dat C niet meer bij haar woonde maar bij appellante, vormde een gegrond vermoeden voor het bestuursorgaan dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Dit vermoeden werd niet weggenomen door de ontkenningen van appellante en verklaringen van C.
Omdat C over het minimumloon beschikte, was er reden te veronderstellen dat appellante over voldoende middelen beschikte om in haar noodzakelijke kosten te voorzien, waardoor het recht op bijstand verviel. De Raad oordeelde dat de opschorting een voorlopige maatregel was en geen definitief besluit tot beëindiging van de uitkering. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, zij het met gewijzigde motivering.
Uitkomst: De opschorting van de bijstandsuitkering van appellante wordt bevestigd wegens het gegronde vermoeden van een gezamenlijke huishouding met haar ex-echtgenoot.