ECLI:NL:CRVB:1998:AA3743
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- M.M. van der Kade
- C.J. Bax
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering onverschuldigde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zelfstandige
Gedaagde, een zelfstandige ondernemer, ontving arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van de AAW en WAO. Na herziening van zijn inkomsten over 1994 besloot appellant (het Landelijk instituut sociale verzekeringen) de uitkeringen over dat jaar niet uit te betalen en de onverschuldigd betaalde bedragen bruto terug te vorderen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze terugvordering deels gegrond en beperkte de terugvordering tot een nettobedrag.
In hoger beroep betwistte appellant deze beperking en voerde aan dat de terugvordering bruto moest plaatsvinden. De Raad overwoog dat zelfstandigen er rekening mee moeten houden dat hun inkomsten pas na afloop van het boekjaar definitief worden vastgesteld en dat onverschuldigde uitkeringen binnen twee jaar kunnen worden teruggevorderd.
De Raad stelde vast dat gedaagde redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij in 1994 onverschuldigd uitkeringen ontving, mede gezien zijn bedrijfswinst die vergelijkbaar was met de jaren voor arbeidsongeschiktheid. De Raad oordeelde dat appellant binnen redelijke beleidsgrenzen handelde door de bruto terugvordering toe te passen en vernietigde het eerdere vonnis, waarmee de terugvordering in rechte stand blijft.
Uitkomst: De bruto terugvordering van onverschuldigde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen over 1994 aan de zelfstandige wordt in stand gehouden.