ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6925
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Ch.J.G. Olde Kalter
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging RWW-uitkering en rentevergoeding
Appellant had een Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW)-uitkering toegekend gekregen, die bij besluit van 27 oktober 1995 werd beëindigd omdat hij zich als extraneus had ingeschreven voor een studie, waardoor hij niet langer als werkloze werknemer werd beschouwd. Dit besluit werd gehandhaafd bij het bestreden besluit van 26 januari 1996 en het beroep werd ongegrond verklaard door de rechtbank.
Tijdens het hoger beroep trok de gemeente Amsterdam het primaire besluit en het bestreden besluit in en verklaarde het beroep alsnog gegrond, waardoor appellant recht kreeg op voortzetting van zijn uitkering vanaf 28 oktober 1995. Appellant vorderde vervolgens betaling van wettelijke rente over de vertraagde uitkering op grond van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Raad oordeelde dat het besluit van 27 oktober 1995 onrechtmatig was en dat appellant schade had geleden door de vertraagde betaling. De wettelijke rente moest worden berekend vanaf de dag na het tijdvak waarover de uitkering had moeten worden betaald, met rente-op-rente na elk jaar. Daarnaast werd de gemeente veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Het bestreden besluit werd vernietigd en het beroep gegrond verklaard.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de RWW-uitkering wordt vernietigd en de gemeente Amsterdam wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten aan appellant.