ECLI:NL:CRVB:1997:AL3447
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- P.H. Hugenholtz
- J.C.F. Talman
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van overneming betalingsverplichtingen Werkloosheidswet bij betwiste loonvordering
Appellant was werkzaam als projectleider bij een stichting die zijn dienstbetrekking per 19 september 1992 opzegde. Na het besluit tot liquidatie van de stichting verzocht appellant om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) wegens achterstallige loonbetalingen. Gedaagde, het Landelijk instituut sociale verzekeringen, weigerde de betalingsverplichtingen over te nemen omdat de stichting niet failliet was verklaard, geen surséance van betaling had gekregen en er geen sprake was van blijvende betalingsonmacht.
Appellant stelde dat de stichting betalingsonmacht had en dat hij recht had op een hoger salaris dan door de werkgever erkend. Tijdens een eerdere procedure werd een schikking getroffen waarbij appellant zijn loonvordering beperkte tot een bedrag dat door de stichting was betaald. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant geen vordering meer had.
In hoger beroep stelde appellant dat de betalingsonmacht de reden was voor de schikking en dat gedaagde de betalingsverplichtingen alsnog moest overnemen. De Raad oordeelde dat er gerede twijfel bestond over het bestaan van de loonvordering, mede omdat appellant geen bewijsstukken overlegd had die de salarisverhoging bevestigden. De schikking bracht geen verandering in deze twijfel. Daarom was gedaagde niet verplicht het verzoek tot overneming te honoreren.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot weigering van overneming van betalingsverplichtingen wordt bevestigd.