ECLI:NL:CRVB:1997:AL0775
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- P.H. Hugenholtz
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Beoordeling sanctie wegens te late aangifte werkloosheid onder WW
Het geschil betreft een sanctie opgelegd aan gedaagde wegens het te laat doen van aangifte van werkloosheid, waardoor een korting van 30% werd toegepast op de WW-uitkering over een deel van de uitkeringsperiode.
De rechtbank had deze sanctie vernietigd omdat zij oordeelde dat de cumulatie van de sanctie met de reeds vervallen uitkeringsdagen leidde tot een disproportionele korting van meer dan 80% van de totale aanspraak. Het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen stelde hoger beroep in en voerde aan dat de sanctie adequaat was, mede vanwege het belang van controle en de relatief korte duur van de sanctie.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de sanctie in redelijkheid was opgelegd, waarbij rekening was gehouden met het feit dat de uitkering voorafgaand aan de sanctieperiode niet werd uitbetaald vanwege artikel 23 WW Pro. Tevens werd meegewogen dat gedaagde na kennisname van mogelijke aanspraak nog twee maanden wachtte met aangifte. De Raad oordeelde dat de sanctie de rechterlijke toets kon doorstaan en vernietigde het vonnis van de rechtbank.
Hierdoor werd het hoger beroep van het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen gegrond verklaard en het beroep van gedaagde ongegrond. De uitspraak werd in het openbaar gegeven op 15 juli 1997.
Uitkomst: De opgelegde sanctie wegens te late aangifte werkloosheid wordt in stand gelaten en het beroep van gedaagde wordt ongegrond verklaard.