ECLI:NL:CRVB:1996:AI5670
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging Ziektewetuitkering zonder toekenning immateriële schadevergoeding
Appellant werd bij besluit van 2 augustus 1993 medegedeeld dat zijn Ziektewetuitkering na 30 juli 1993 werd stopgezet omdat hij weer arbeidsgeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Tijdens de procedure trok gedaagde het bestreden besluit in en herstelde de uitkering.
De Raad constateerde dat het besluit onrechtmatig was en dat gedaagde de onrechtmatigheid erkende en bereid was schade te vergoeden. Appellant vorderde vergoeding van wettelijke rente, immateriële schade en portokosten. De wettelijke rente werd reeds voldaan. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij door het besluit zodanig geestelijk letsel had geleden dat sprake was van een aantasting van zijn persoon in de zin van artikel 6:106 BW Pro.
Daarnaast wees de Raad de vordering tot vergoeding van portokosten af omdat deze onder proceskosten vielen en niet aanvullend konden worden toegekend. De Raad gelastte dat gedaagde het betaalde recht aan appellant vergoedt. De gevorderde immateriële schadevergoeding werd afgewezen wegens gebrek aan bewijs van ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt vernietigd, maar de gevorderde immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.