ECLI:NL:RBSGR:2008:BC2426
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens inkomensderving na onrechtmatige intrekking verblijfsvergunning
Eiser, houder van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, kreeg deze vergunning onrechtmatig ingetrokken per 23 mei 2002. Hierdoor verloor hij recht op bijstand en leed hij inkomensschade. Na herstel van zijn verblijfsvergunning in 2004 verzocht hij om schadevergoeding voor de periode van inkomensderving en immateriële schade.
Verweerder erkende de onrechtmatigheid van de intrekking, maar betwistte dat de geschonden norm strekte tot bescherming van de vermogensrechtelijke positie van eiser (relativiteitsvereiste). Ook ontkende verweerder het causaliteitsvereiste en stelde dat immateriële schade reeds gecompenseerd was door eerdere schadevergoeding voor onrechtmatige vreemdelingenbewaring.
De rechtbank oordeelde dat het relativiteitsvereiste niet was vervuld omdat de norm rond verblijfsvergunningen niet bedoeld is om inkomensschade te dekken. Tevens was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser immateriële schade had geleden die onder artikel 6:106 BW Pro valt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van schadevergoeding wegens inkomensderving en immateriële schade wordt ongegrond verklaard.