Uitspraak
ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
MOTIVERING
BESLISSING
Centrale Raad van Beroep
Eiser was na een periode van werkloosheid werkzaam als oproepkracht en deed op 27 september 1991 aangifte van werkloosheid die op 2 oktober 1989 was ingetreden. De aanvraag voor WW-uitkering volgde pas op 19 november 1991. Gedaagde weigerde uitkering over de periode van 2 oktober 1989 tot 19 mei 1991, omdat de aanvraag later dan 26 weken na het intreden van de werkloosheid was ingediend.
De rechtbank bevestigde deze weigering, maar vernietigde de opgelegde sancties wegens schending van het evenredigheidsbeginsel. In hoger beroep stond centraal of er sprake was van een bijzonder geval dat afwijking van de termijn mogelijk maakte. De Raad concludeerde dat er geen bijzonder geval was, ook niet vanwege vermeende onbekendheid van eiser met zijn rechten of vermeende onvolledige informatie van instanties.
De Raad verduidelijkte dat artikel 23 van Pro de WW niet het ontstaan van het recht op uitkering beïnvloedt, maar slechts de vaststelling en daarmee de opeisbaarheid ervan. Het recht op uitkering ontstond op 2 oktober 1989, maar kon niet formeel worden vastgesteld voor de periode vóór 20 mei 1991. Omdat de uitkeringsduur van zes maanden inmiddels verstreken was, bestond er geen recht meer op uitkering na die datum. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering over de gevorderde periode bevestigd.