ECLI:NL:CBB:2026:42
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen lagere vaststelling basis- en vergroeningsbetaling GLB ongegrond verklaard
De landbouwer exploiteert een melkveehouderij en vroeg voor 2022 uitbetaling van basis- en vergroeningsbetalingen aan op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB. De minister stelde aanvankelijk een bedrag van €20.607,69 vast, gebaseerd op een oppervlakte van 60,13 hectare voor de basisbetaling en 59,15 hectare voor de vergroeningsbetaling, waarbij een tekort aan ecologisch aandachtsgebied werd vastgesteld.
Na bezwaar wijzigde de minister het besluit en stelde een lager bedrag van €20.078,46 vast, met een aangepaste oppervlakte van 60,40 hectare voor de basisbetaling en 55,75 hectare voor de vergroeningsbetaling, vanwege een groter tekort aan ecologisch aandachtsgebied. De landbouwer stelde dat dit besluit in strijd was met het verbod op reformatio in peius en het motiveringsbeginsel, en dat de reactietermijn voor bezwaar te kort was.
Het College oordeelde dat de minister bevoegd was om het besluit ten nadele van de landbouwer te wijzigen, mits diens verweermogelijkheden niet werden geschaad. De reactietermijn was in overleg vastgesteld en voldoende. De minister had bovendien gemotiveerd toegelicht dat de verlaging was verdubbeld vanwege eerdere overtredingen in voorgaande jaren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de landbouwer tegen de lagere vaststelling van de basis- en vergroeningsbetaling wordt ongegrond verklaard.