ECLI:NL:CBB:2020:101
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. Pavićević
- Rechtspraak.nl
Geen geslaagd beroep tegen lagere vaststelling subsidiabele landbouwgrond en uitbetaling GLB 2017
Melkveehouderij [naam 1] V.O.F. stelde beroep in tegen een besluit van de minister van LNV waarin de basis- en vergroeningsbetaling voor 2017 werd vastgesteld. Het primaire besluit stelde de uitbetaling vast op €46.794,64, het bestreden besluit verlaagde dit naar €46.572,10 vanwege afkeuring van vijf percelen en een kleinere oppervlakte van perceel 117.
De kern van het geschil betrof de vraag of de afgekeurde percelen en de oppervlakte van perceel 117 terecht als niet-subsidiabel landbouwgrond waren aangemerkt. Appellante stelde dat de percelen wel degelijk werden gebruikt voor landbouw, met beweiding en zonder overwegende verruiging. Verweerder voerde aan dat de vegetatie op deze percelen overwegend bestond uit ruigte en bosschages, waardoor zij niet als landbouwareaal konden worden aangemerkt.
Het College oordeelde dat volgens de Europese regelgeving subsidiabele hectares moeten bestaan uit landbouwareaal dat overwegend uit grassen en kruidachtige voedergewassen bestaat. Uit luchtfoto’s bleek dat de vijf percelen grotendeels uit bosschages en ruigte bestonden en minder dan 50% uit grasland. Ook de kleinere oppervlakte van perceel 117 werd gerechtvaardigd vanwege ruigtes. Het beroep op het verbod van reformatio in peius faalde omdat de wijziging buiten bezwaarprocedure mogelijk was en appellante alsnog haar standpunt kon toelichten.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de lagere vaststelling van de subsidiabele landbouwgrond en uitbetaling GLB 2017 blijft gehandhaafd.