Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2026:152

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
24/981
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen subsidieberekening onomkeerbare sluiting varkenshouderij

De maatschap exploiteerde een varkenshouderij en vroeg subsidie aan voor de onomkeerbare sluiting van haar locatie op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv). De minister kende een subsidie toe, maar liet bij de berekening enkele ruimtes buiten beschouwing omdat deze volgens hem buiten de buitenmuren van het dierenverblijf lagen.

De maatschap stelde dat deze ruimtes wel degelijk binnen de buitenmuren vielen en dat de minister de oppervlakte van stal 1 en stal 6 te krap had berekend. Het College oordeelde dat de minister terecht ruimtes van stal 8 buiten beschouwing liet, maar dat de ruimtes van stal 1 en stal 6 ten onrechte niet waren meegenomen. De minister had onvoldoende gemotiveerd waarom de ruimtes in stal 1 niet als onderdeel van het dierenverblijf werden gezien en erkende dat een ruimte van 87 m2 binnen de buitenmuren van stal 6 viel.

Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de maatschap.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de minister vernietigd voor de subsidieberekening van stal 1 en stal 6.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/981

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen

maatschap [naam 1] en overigen, te [vestigingsplaats] ,

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij)
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

(gemachtigden: mr. C.J.M. Daniels en C. Zieleman).

Procesverloop

Met het besluit van 28 mei 2024 (subsidiebesluit) heeft de minister de aanvraag van de maatschap om subsidie voor haar locatie te [vestigingsplaats] uit de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv) gedeeltelijk toegewezen en aan de maatschap een subsidie verleend van maximaal € 1.707.147,54.
Met het besluit van 11 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de maatschap gedeeltelijk gegrond verklaard en een subsidie verleend van maximaal € 2.317.833,30.
De maatschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Met het besluit van 16 februari 2026 (wijzigingsbesluit) heeft de minister het bestreden besluit gewijzigd en een subsidie verleend van maximaal € 2.338.558,89.
De maatschap heeft op het wijzigingsbesluit gereageerd en daarbij foto’s overgelegd van stal 6.
De zitting was op 12 maart 2026. Aan de zitting hebben [naam 1] , [naam 2] , hun gemachtigde en de gemachtigden van de minister deelgenomen.

Overwegingen

Inleiding
1.1
De maatschap exploiteerde een varkenshouderij. Op 8 september 2023 heeft zij een subsidie op grond van de Lbv aangevraagd voor de onomkeerbare sluiting van haar varkenshouderij.
1.2
De maatschap heeft beroep ingesteld omdat de minister bij de berekening van de subsidie volgens haar de oppervlakte van enkele stalruimtes te krap heeft bemeten en enkele ruimtes ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.
1.3
De minister is met het wijzigingsbesluit aan enkele punten tegemoet gekomen. Het College stelt vast dat dit een besluit is als bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege mede is gericht tegen het wijzigingsbesluit.
1.4
Op de zitting heeft de maatschap enkele onderdelen van haar beroep ingetrokken.
1.5
Het geschil gaat nu nog over enkele door de minister buiten beschouwing gelaten ruimtes van stal 1, stal 6 en stal 8.
Beoordeling van het beroep
Stal 1
2.1
Van stal 1 heeft de minister de vergaderruimte, de wasruimte, het kantoor, de kleedruimte, de douche en de ruimte voor bedrijfskleding (overige ruimtes) buiten beschouwing gelaten, omdat deze ruimtes volgens de minister buiten de buitenmuren van het dierenverblijf zijn gelegen. Op de bouwtekening is tussen de ruimtes voor de zeugen (inclusief trainingsruimtes) en de overige ruimtes een dikke lijn getekend. Dat wijst volgens de minister op een buitenmuur.
2.2
De maatschap heeft op de zitting verklaard dat de dikke lijn, die op de bouwtekening tussen de ruimtes voor de zeugen en de overige ruimtes is getekend, geen buitenmuur is maar een brandmuur. Stal 1 is als één gebouw gebouwd, inclusief de overige ruimtes. Er is nooit sprake geweest van een buitenmuur op de plek die de minister bedoelt. De overige ruimtes zijn steeds onderdeel geweest van stal 1 en vallen binnen de buitenmuren van stal 1.
2.3
Het College acht het aannemelijk dat de muur in stal 1, die zich tussen de ruimtes voor de zeugen en de overige ruimtes bevindt, een brandmuur is en geen buitenmuur. In zoverre heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom hij de overige ruimtes bij de berekening van de oppervlakte van stal 1 buiten beschouwing heeft gelaten. Omdat verder niet in geschil is dat deze ruimtes steeds onderdeel zijn geweest van stal 1 en, zoals uit het voorgaande volgt, zijn omgeven door een buitenmuur, had de minister bij de berekening van de subsidie voor stal 1 de oppervlakte van de overige ruimtes ook moeten meenemen. Deze beroepsgrond slaagt.
Stal 6
3 Bij stal 6 gaat het om een ruimte van 87 m2 die volgens de minister als een buiten de buitenmuren gelegen verbindingsruimte tussen stal 1 en stal 6 moet worden aangemerkt. Op basis van de door de maatschap overgelegde foto’s is echter duidelijk geworden dat die ruimte van 87 m2 zich binnen de buitenmuren van stal 6 bevindt. Dit is ook op de zitting namens de minister erkend. Dit betekent dat stal 6 niet een oppervlakte heeft van 1015 m2, maar van 1138 m2. De minister heeft deze grotere oppervlakte van stal 6 ten onrechte niet meegenomen in de subsidieberekening. Deze beroepsgrond slaagt ook.
Stal 8
4.1
Bij stal 8 zijn de separatieruimte, gang en berging/luchtwasser (separatieruimtes) niet als subsidiabele ruimtes aangemerkt, omdat deze zich buiten de buitenmuren van stal 8 bevinden. Die ruimtes kunnen volgens de minister ook niet zelfstandig als dierenverblijf worden aangemerkt, omdat er geen permanente huisvesting van dieren plaatsvindt.
4.2
De maatschap heeft niet betwist dat de separatieruimtes zich buiten de romp van stal 8 bevinden en slechts een paar uur per week werden gebruikt om varkens te separeren. Dit brengt het College tot de conclusie dat de minister deze ruimtes in de subsidieberekening terecht buiten beschouwing heeft gelaten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom
5 Het beroep is gegrond en het bestreden besluit, zoals gewijzigd met het wijzigingsbesluit van 16 februari 2026, moet worden vernietigd wat betreft de overige ruimtes van stal 1 en wat betreft stal 6. Het College zal de minister opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
6 Het College veroordeelt de minister in de door de maatschap gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 2.335,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en ½ punt voor de reactie op het wijzigingsbesluit; waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, zoals gewijzigd bij het wijzigingsbesluit, behalve voor zover het ziet op de toekenning van de proceskosten in bezwaar;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 371,- aan de maatschap te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van de maatschap tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, mr. A. Venekamp en mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.
M.P. Glerum J.M.M. Bancken