ECLI:NL:CBB:2026:125

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
25/230
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Geheimhoudingsbeslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking kennisneming vertrouwelijke stukken bestuursdwang schapen

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft appellant beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over kostenverhaal na bestuursdwang waarbij 12 schapen van appellant zijn meegenomen en verkocht.

De minister heeft vertrouwelijke versies van diverse stukken ingediend en verzocht dat alleen het College kennisneemt van deze stukken vanwege persoonsgegevens en bedrijfsgegevens die de privacy van betrokkenen kunnen schaden. De rechter-commissaris heeft deze belangen afgewogen.

De rechter-commissaris oordeelt dat beperking van kennisneming gerechtvaardigd is voor stukken die persoonsgegevens van derden bevatten (B2 tot en met B9), waarbij appellant begrip toont voor deze vertrouwelijkheid. Echter, voor de factuur over transport (stuk B1) is beperking niet gerechtvaardigd omdat deze gegevens essentieel zijn voor de verdediging van appellant.

Het College verzoekt appellant om binnen twee weken aan te geven of hij instemt met het gebruik van de vertrouwelijke stukken B2 tot en met B9. De minister moet een nieuwe versie van stuk B1 aanleveren. Deze beslissing waarborgt een zorgvuldige belangenafweging tussen privacybescherming en het recht op een eerlijk proces.

Uitkomst: Beperking kennisneming van vertrouwelijke stukken B2-B9 gerechtvaardigd, beperking kennisneming stuk B1 afgewezen.

Uitspraak

beslissing

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 25/230
beslissing van de rechter-commissaris op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[naam 1] te [woonplaats] (appellant)

(gemachtigde: mr. C. Karlas)
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. W.J.C. Goorden)
met als derde partij
Stichting Dierenambulance [naam 2] ,te [vestigingsplaats] (Stichting)
(gemachtigde: mr. C.M. van de Ven)

Procesverloop

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 29 januari 2025.
De minister heeft de vertrouwelijke versie van een aantal gedingstukken ingezonden en met verwijzing naar artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van deze stukken.
Het betreft (delen van) de volgende stukken:
Bijlagen bij het voornemen tot kostenverhaal van 5 juni 2025:
B1. Een factuur van 2 februari 2023 voor kosten van transport;
B2. Een factuur van 7 maart 2023 voor kosten van opvang;
B3. Een factuur van 22 maart 2023 met dierenartskosten, met als bijlage daarbij een factuur van 7 maart 2023;
B4. Een factuur van 6 februari 2023 voor de taxatie;
B5. Het taxatierapport;
Bijlagen bij het verweerschrift:
B6. Afwikkelingsformulier van 2 maart 2023;
B7. Bezoekrapport van 3 februari 2023 met intake werkdocument;
B8. Bezoekrapport van 24 februari 2023;
B9. Bezoekrapport van 8 februari 2023 en 20 februari 2023.
Appellant en de Stichting hebben een reactie gegeven.

Overwegingen

1. In deze zaak heeft de minister met toepassing van bestuursdwang 12 schapen van appellant laten meevoeren en onderbrengen bij een opslaghouder. De schapen zijn daarna verkocht aan een handelaar. De minister heeft de kosten van de bestuursdwang, met aftrek van de opbrengsten van de schapen, verhaald op appellant.
2 De minister heeft verzocht dat alleen het College van de niet bewerkte versies van bovengenoemde stukken kennis zal nemen. Volgens de minister staan in deze stukken persoons- en bedrijfsgegevens van de partijen die betrokken waren bij het meevoeren, opslaan en verkopen van de schapen. De persoonlijke levenssfeer van deze partijen wordt bij kennisneming van de gegevens door derden zodanig geraakt dat hiervan moet worden afgezien. De opslaghouder en vervoerder hebben via een aanbestedingstraject een contract gesloten met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), waarbij is overeengekomen dat de gegevens van de opslaghouder en de transporteur geheim blijven. In het verleden hebben zich nare incidenten voorgedaan met bedreigingen van derden die betrokken waren bij het proces van meevoeren en opvangen van dieren. Mede daardoor is de bereidheid van deze dienstverleners om mee te werken al klein.
3 Op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist het College of de weigering dan wel beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Met toepassing van artikel 8:12 van Pro de Awb heeft het College een rechter-commissaris opgedragen deze beslissing te nemen.
4 Bij deze beslissing moet de rechter-commissaris belangen tegen elkaar afwegen. Aan de ene kant speelt hierbij het belang dat partijen beschikken over dezelfde voor het beroep relevante informatie en het belang dat het College beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Aan de andere kant kan kennisneming van bepaalde gegevens door de ene partij het belang van een of meer andere partijen onevenredig schaden, terwijl de minister er belang bij heeft ook in de toekomst de informatie aangeleverd te krijgen die hij voor een goede uitoefening van zijn taken nodig heeft.
5 In het geval van beroepshalve functioneren, kan slechts in beperkte mate een beroep worden gedaan op het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer moet per geval worden afgewogen in het licht van de onder 4 genoemde belangen. De rechter-commissaris oordeelt dat beperking van de kennisneming van de stukken B2 tot en met B9 gerechtvaardigd is, nu deze stukken persoonsgegevens bevatten van verschillende niet bij deze procedure betrokken personen. Daarbij betrekt de rechter-commissaris dat de weggelakte gegevens steeds een klein deel betreffen van de stukken in hun geheel en geen afbreuk doen aan de begrijpelijkheid van deze stukken. In zijn reactie op het verzoek heeft appellant bovendien te kennen gegeven begrip te hebben voor de onderbouwing van de minister om deze betreffende gegevens vertrouwelijk te laten. Daaruit maakt de rechter-commissaris op dat hij er geen bezwaar tegen heeft dat hij geen kennis kan nemen van de vertrouwelijke gegevens in deze stukken. In dat licht ziet de rechter-commissaris geen grond voor het oordeel dat appellant in zoverre in zijn belangen wordt geschaad.
6 Dat is anders voor stuk B1. In de bodemprocedure is namelijk in geschil door wie het transport is verzorgd. Het onthouden van de gegevens van de transporteur aan appellant bemoeilijkt hem dan ook in zijn verdediging en het adequaat naar voren brengen van zijn standpunt. Wat de minister ter motivering van zijn verzoek ten aanzien van de transporteur heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechter-commissaris onvoldoende om als gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb aan te merken. De rechter-commissaris ziet namelijk niet in hoe bekendheid bij appellant van de gegevens, waaronder de bedrijfsnaam, van de transporteur ertoe zou kunnen leiden dat de bereidheid van dienstverleners om mee te werken aan het proces van meevoeren en opvangen van dieren zou afnemen. Dat zich in het verleden nare incidenten hebben voorgedaan met bedreigingen van derden die betrokken waren bij het proces van meevoeren en opvangen van dieren is onvoldoende om dat aan te nemen, nu gesteld noch is gebleken dat appellant bij die incidenten betrokken was. Het verzoek om beperking van de kennisneming wordt voor stuk B1 daarom afgewezen.
7 Het College kan alleen met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die stukken uitspraak doen. Die toestemming is niet nodig voor een stuk dat een partij al kent. De Stichting heeft al schriftelijk toestemming gegeven. Appellant wordt verzocht om binnen twee weken na heden schriftelijk kenbaar te maken of hij ermee instemt dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van de stukken B2 tot en met B9 voor zover hij deze stukken niet kent, uitspraak doet op het beroep.
8 De rechter-commissaris stuurt het stuk B1 terug naar de minister. De minister is verplicht het stuk in te brengen en dient uiterlijk op de zitting van 25 maart 2026 een nieuwe versie van dit stuk aan het College en de andere partijen overhandigen. Brengt de minister het stuk niet in, dan kan het College daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.

Beslissing en vervolgstappen

De rechter-commissaris:
- beslist dat de gevraagde beperking van de kennisneming van de stukken B2 tot en met B9 gerechtvaardigd is;
- verzoekt appellant om uiterlijk op de zitting van 25 maart 2026 aan het College kenbaar te maken of hij ermee instemt dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van de stukken B2 tot en met B9 uitspraak doet op het beroep, voor zover hij deze stukken niet kent;
- beslist dat beperking van de kennisneming van het stuk B1 niet gerechtvaardigd is;
- bepaalt dat het stuk B1 worden teruggezonden aan de minister;
- verzoekt de minister uiterlijk op de zitting van 25 maart 2026 een nieuwe versie van stuk B1 aan het College en de andere partijen te overhandigen.
Aldus genomen door mr. M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blankenstein als griffier, op 19 maart 2026.
w.g. M. Schoneveld w.g. C.A. Blankenstein