ECLI:NL:CBB:2026:121

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
22/2516
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Geheimhoudingsbeslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:12 AwbArt. 8:32 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vertrouwelijke behandeling namen deskundigen SBV-pool

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft een onderneming beroep ingesteld tegen een subsidiebesluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Het geschil betreft de vertrouwelijkheid van de namen van twee van de drie deskundigen uit de SBV-pool die een advies uitbrachten voor de nieuwe beslissing op bezwaar.

Na eerdere tussenuitspraak waarin het College de minister opdroeg het besluit transparanter te maken, overhandigde de minister een vertrouwelijke versie van het advies met het verzoek om de namen van twee deskundigen niet openbaar te maken. De onderneming betoogde dat zij zonder deze namen niet kan beoordelen of de deskundigen voldoende expertise en onafhankelijkheid bezitten.

De rechter-commissaris heeft de belangen afgewogen en overwogen dat het uitgangspunt is dat namen van deskundigen bekend behoren te zijn. De minister kon geen dringende reden aantonen die de anonimiteit rechtvaardigt, mede omdat de gemachtigde van de onderneming de vertrouwelijke informatie niet zal delen buiten de procedure.

Daarom is het verzoek om beperking van kennisneming afgewezen. De vertrouwelijke versie van het advies wordt teruggezonden aan de minister, die binnen twee weken een nieuwe versie aan het College en de onderneming moet verstrekken.

Uitkomst: Het verzoek om vertrouwelijke behandeling van twee namen van deskundigen wordt afgewezen.

Uitspraak

beslissing

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/2516
beslissing van de rechter-commissaris op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[naam 1] ( [naam 1] ), te [woonplaats]

(gemachtigde: [naam 2] )
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. drs. P.J. Kooijman)

Procesverloop

[naam 1] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van 25 oktober 2022.
Met de tussenuitspraak van 18 maart 2025 (ECLI:CBB:2025:171) heeft het College de minister opgedragen binnen dertien weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te nemen met inachtneming van de overwegingen in de tussenuitspraak.
Met het besluit van 3 juli 2025 heeft de minister opnieuw op de bezwaren van [naam 1] beslist en het bezwaar ongegrond verklaard.
Op verzoek van het College heeft de minister het advies zoals opgesteld door de leden van de SBV-pool ingediend. Daarbij heeft de minister een vertrouwelijke versie van het advies ingezonden en met verwijzing naar artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van de vertrouwelijke stukken.
Het College heeft [naam 1] in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek van de minister. Dat heeft [naam 1] op 14 november 2025 gedaan.
Op 22 januari 2026 is een comparitie van partijen gehouden. De gemachtigden van partijen hebben aan die comparitie deelgenomen.
De minister en [naam 1] hebben nadere reacties ingediend.

Overwegingen

1. De onderneming heeft een subsidie aangevraagd op grond van Titel 2.2 Bewezen en niet-bewezen innovaties verduurzaming veehouderij van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling). De aangevraagde subsidie valt in de Regeling in de categorie ‘niet-bewezen innovaties’. De minister heeft de aanvraag afgewezen en baseert die afwijzing mede op het advies van deskundigen uit de zogenoemde SBV-pool.
2 In de tussenuitspraak heeft het College onder andere overwogen dat uit het advies niet volgt welke twee leden uit de SBV-pool zijn geraadpleegd en wat hun deskundigheid precies is. Het College heeft de minister opgedragen om het project opnieuw te laten beoordelen op een transparante wijze door deskundigen van wie de onafhankelijkheid is gewaarborgd. De minister heeft op 3 juli 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, maar daarbij niet het advies van de SBV-pool overgelegd. Het College heeft dit advies opgevraagd. De minister heeft dit advies op 1 oktober 2025 alsnog overgelegd en daarbij een vertrouwelijke versie van het advies ingezonden en met verwijzing naar artikel 8:29 van Pro de Awb medegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van deze stukken. Het verzoek ziet concreet op het vertrouwelijk behandelen van twee van de drie namen van de deskundigen die een nieuw advies hebben uitgebracht ten behoeve van de nieuwe beslissing op bezwaar van 3 juli 2025.
3 Op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist het College of de weigering dan wel beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Met toepassing van artikel 8:12 van Pro de Awb heeft het College een rechter-commissaris opgedragen deze beslissing te nemen.
4 Bij deze beslissing moet de rechter-commissaris belangen tegen elkaar afwegen. Aan de ene kant speelt hierbij het belang dat partijen beschikken over dezelfde voor het beroep relevante informatie en het belang dat het College beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Aan de andere kant kan kennisneming van bepaalde gegevens door de ene partij het belang van een of meer andere partijen onevenredig schaden, terwijl de minister er belang bij heeft ook in de toekomst de informatie aangeleverd te krijgen die hij voor een goede uitoefening van zijn/haar taken nodig heeft.
5 De minister motiveert zijn verzoek tot beperkte kennisneming als volgt. Met de leden van de SBV-pool is uitdrukkelijk afgesproken dat zij hun werk kunnen doen zonder dat hun personalia bekend worden gemaakt. Na de tussenuitspraak van het College heeft de minister contact opgenomen met de deskundigen. Eén van de drie deskundigen heeft te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen het bekend maken van zijn naam. De andere twee leden wensen niet terug te komen op de gemaakte afspraak. De reden voor het maken van de afspraak is dat in het verleden in soortgelijke situaties deskundigen stevig zijn aangepakt door betrokkenen. De minister heeft te maken met een beperkt aantal personen die over de vereiste deskundigheid beschikken en dat heeft te maken met de vrees om voorwerp te worden van een in de openbaarheid gevoerde discussie over integriteit en deskundigheid. Om die hindernis weg te nemen heeft de minister de afspraak gemaakt dat personalia niet bekend zullen worden gemaakt.
6 [naam 1] is het niet eens met het verzoek om beperkte kennisneming. Doordat twee van de drie namen van de leden van de SBV-pool voor haar niet bekend zijn, kan zij niet beoordelen of de leden van de SBV-pool deskundig genoeg zijn op het gebied van microbiologie om de aanvraag naar behoren te beoordelen. Wanneer de namen van twee leden niet gedeeld kunnen worden, dan wil [naam 1] desondanks informatie ontvangen over deze beoordelaars op basis waarvan zij inzicht krijgt in hun expertise en hun onafhankelijkheid. Zo kan de minister een anoniem profiel opstellen waaruit blijkt hoeveel jaren (wetenschappelijke) ervaring de leden hebben en in welke onderzoeksgebieden, met name op het gebied van biologie en microbiologie. Daarnaast moet inzicht worden gegeven in of de adviseur in de privésector actief is, en zo ja, aan welke klanten hij adviseert. In dat profiel dient tot slot ook te zijn opgenomen of een beoordelaar eerder betrokken is geweest bij subsidieaanvragen, met name ook ten aanzien van het specifieke product [naam 3] . Samengevat meent [naam 1] dat de gevraagde beperkte kennisgeving dus niet zonder meer kan worden geaccepteerd.
7 De rechter-commissaris heeft een comparitie van partijen gehouden. Daarbij is onderzocht of er mogelijkheden bestaan om, analoog aan artikel 8:32, tweede lid, van de Awb, door middel van voorbehouden kennisneming tot een voor partijen werkbare oplossing te komen en welke waarborgen in dat geval in acht zouden moeten worden genomen. Door de gemachtigde van [naam 1] is verklaard dat hij de twee niet bekende namen van de leden van de SBV-pool die het advies hebben opgesteld met niemand zal delen en dat hij deze informatie slechts zal gebruiken voor de hier aan de orde zijnde procedure. De minister heeft daarna, in overleg met de deskundigen, overwogen of hij het verzoek om een vertrouwelijke behandeling op grond van 8:29 van de Awb handhaaft of intrekt en de namen van de twee deskundigen in deze procedure bekend zal maken. Ook heeft hij daarbij overwogen of hij mee kan delen in hoeverre de betrokken leden van de SBV-pool betrokken zijn geweest bij andere beoordelingen van aanvragen voor gesubsidieerd onderzoek naar de werkzaamheid van [naam 3] . Met de brief van 9 februari 2026 heeft de minister meegedeeld niet tot overeenstemming te zijn gekomen met de betrokken deskundigen over het ter beschikking stellen van hun naam. De minister heeft als alternatief voorgesteld dat een Belgische deskundige beoordeelt of de betreffende deskundigen over voldoende expertise beschikken. [naam 1] heeft op 23 februari 2026 medegedeeld zich niet te kunnen vinden in het voorgestelde alternatief en meent ook dat dit niet strookt met de door het College in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Omdat partijen dus niet tot een overeenstemming zijn gekomen, gaat de rechter-commissaris over tot het inhoudelijk beoordelen van het verzoek om beperkte kennisneming.
8 De rechter-commissaris is van oordeel dat beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd is. Het uitgangspunt is dat de namen van de deskundigen die een dergelijke beoordeling uitvoeren bekend behoren te zijn (zie de beslissingen van 7 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:302) en 10 oktober 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:955)). [naam 1] heeft er belang bij om de expertise van de geraadpleegde deskundigen na te gaan. Daarnaast benadrukt de rechter-commissaris dat het aan de minister is om het verzoek tot een vertrouwelijke behandeling goed te motiveren. In dit geval heeft de minister met de deskundigen de afspraak gemaakt dat zij anoniem een advies konden opstellen, omdat in het verleden in soortgelijke situaties de deskundigen stevig zijn aangepakt door betrokkenen. Dit is geen dringende reden die de gevraagde beperking van de kennisneming rechtvaardigt. Daar komt nog bij dat door de gemachtigde van [naam 1] is toegezegd dat hij de informatie met niemand zal delen en dat hij deze informatie slechts zal gebruiken voor de hier aan de orde zijnde procedure. Onder deze omstandigheden is de onderbouwing van het verzoek om beperking van de kennisneming naar het oordeel van de rechter-commissaris onvoldoende om het verzoek in te willigen. Het verzoek om beperking van de kennisneming wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechter-commissaris:
  • beslist dat beperking van de kennisneming van de namen van twee leden van de SBV-pool niet gerechtvaardigd is;
  • bepaalt dat de vertrouwelijke versie van het advies van de SBV-pool wordt teruggezonden aan de minister;
  • verzoekt de minister binnen twee weken na heden een nieuwe versie van het stuk aan het College en [naam 1] toe te sturen.
Aldus genomen door mr. J.H. de Wildt, rechter-commissaris, in tegenwoordigheid van mr. L. van Loon als griffier, op 13 maart 2026.
w.g. J.H. de Wildt De griffier is verhinderd de beslissing te ondertekenen.