In deze zaak heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven op 9 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over een boete die was opgelegd aan [de vervoerder] B.V. voor het vervoeren van een varken dat niet geschikt was voor transport. De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur had op 3 december 2021 een boete van € 7.500,- opgelegd, omdat het varken zich niet op eigen kracht pijnloos kon voortbewegen. De minister verklaarde het bezwaar van [de vervoerder] ongegrond, maar de rechtbank heeft op 12 oktober 2023 de hoogte van de boete verlaagd naar € 6.750,-. De rechtbank matigde de boete omdat de minister een interne werkinstructie hanteert die boetes matigt na een bepaalde periode tussen overtreding en aanzegging.
In hoger beroep heeft het College de aangevallen uitspraak vernietigd voor wat betreft de hoogte van de boete en deze vastgesteld op € 5.625,-. Het College oordeelde dat de gronden van [de vervoerder] niet slagen, maar dat er aanleiding was om de boete te matigen vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De minister werd veroordeeld in de proceskosten van [de vervoerder] tot een bedrag van € 907,- en moest het griffierecht van € 548,- vergoeden. De uitspraak benadrukt de noodzaak van zorgvuldigheid bij het vervoer van dieren en de toepassing van interne richtlijnen door de minister.