ECLI:NL:CBB:2025:671

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
23/1564
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding voor onrechtmatig besluit inzake mondkapjes

Op 16 december 2025 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan in de zaak van [naam 1] B.V. tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Deze uitspraak volgt op een heropeningsbeslissing van 29 juli 2025, waarin het College oordeelde dat het opschortingsbesluit van de minister, dat betrekking had op de vrijgave van een zending FFP2 mondkapjes uit China, onrechtmatig was. De onderneming had schade geleden door dit besluit en diende een verzoek in voor schadevergoeding. In de uitspraak werd vastgesteld dat de onderneming voldoende bewijs had geleverd dat de gemiddelde verkoopprijs van de mondkapjes was gedaald met minimaal € 0,03, wat resulteerde in een schadevergoeding van ten minste € 25.000,-. De minister werd ook veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de onderneming, die op € 4.081,50 werden vastgesteld. Het College oordeelde dat er geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn, aangezien de totale procedure niet langer dan vier jaar had geduurd. De uitspraak werd openbaar uitgesproken door de rechters in aanwezigheid van de griffier.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1564

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 december 2025 op het hoger beroep van

[naam 1] B.V. handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats] (onderneming)

(gemachtigde: mr. D.N. Lavain)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 juni 2023, kenmerk 21/6445 in het geding tussen

de onderneming

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

(gemachtigden: mr. S.O. Visch en mr. M.P. Sluijter)

Procesverloop in hoger beroep

Deze uitspraak is een vervolg op de heropeningsbeslissing van 29 juli 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:401) over het verzoek van de onderneming om schadevergoeding wegens het besluit van de minister van 25 maart 2021 (opschortingsbesluit) tot het opschorten van de vrijgave van een zending FFP2 mondkapjes uit China. Voor het procesverloop tot aan de heropeningsbeslissing verwijst het College naar de heropeningsbeslissing.
In de heropeningsbeslissing heeft het College geoordeeld dat sprake was van een onrechtmatig besluit en dat de onderneming schade heeft geleden die voor vergoeding door de minister in aanmerking komt. Omdat de onderneming de hoogte van de schade onvoldoende had onderbouwd, heeft het College de onderneming in de gelegenheid gesteld deze schade nader te onderbouwen.
De onderneming heeft op 8 september 2025 een nadere onderbouwing gegeven van de door haar gestelde schade. De minister heeft hierop op 10 oktober 2025 gereageerd.
Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het College heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en dat het onderzoek wordt gesloten.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Inleiding
1.1
In de heropeningsbeslissing heeft het College, kort samengevat, overwogen dat het onderzoek van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) onzorgvuldig tot stand is gekomen. De minister heeft dit onderzoek dan ook niet ten grondslag mogen leggen aan zijn beslissing, zodat het opschortingsbesluit onrechtmatig is. De onrechtmatige besluitvorming kan ook aan de minister worden toegerekend. Het College heeft daarna geoordeeld dat de door de onderneming genoemde kosten van opslag en transport en margeverlies voorkomen hadden kunnen worden als de minister de lading mondkapjes direct had vrijgegeven. De onderneming heeft dan ook schade geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de minister. Daarnaast heeft de onderneming afdoende onderbouwd dat de kosten die te maken hebben met de opslag en het transport van de containers tot aan het moment van vrijgave van de containers € 8.597,- bedroegen. Deze kosten moeten in ieder geval door de minister worden vergoed.
1.2
Het College heeft de onderneming vervolgens in de gelegenheid gesteld om haar schade als gevolg van een margeverlies dan wel de onverkoopbaarheid van de mondkapjes nader te onderbouwen. Het College heeft daarbij opgemerkt dat het (gelet op de uit artikel 8:89, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht voortvloeiende) bevoegdheidsgrens van € 25.000,- en de onder 1.1 genoemde kosten van opslag en transport, in deze procedure nog gaat om een bedrag van afgerond € 17.000,- (meer precies gaat het om € 16.403,-). Dit bedrag zou reeds toegewezen kunnen worden indien het margeverlies € 0,03 per mondkapje bedroeg (560.000 mondkapjes x € 0,03 = € 16.800,-).
1.3
Het College moet nu beoordelen of de onderneming voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de verkoopprijs van mondkapjes in de periode maart 2021 tot en met juni 2021 met minimaal € 0,03 per stuk is gedaald. Dat doet het College aan de hand van de nader ingediende stukken door de onderneming en de reactie van de minister daarop.
1.4
Het College is van oordeel dat de onderneming daarin is geslaagd en legt dat hieronder uit.
Hoogte van de schadevergoeding
2.1
Ter onderbouwing van de hoogte van het gestelde margeverlies, heeft de onderneming diverse stukken overgelegd, waaronder de gemiddelde verkoopprijs van mondkapjes in februari 2021 en mei 2021. De onderneming betoogt dat de gemiddelde verkooprijs per mondkapje in februari 2021 € 0,82 en in mei 2021 tussen de € 0,42 en € 0,45 bedroeg. Gelet op die dalende lijn is de onderneming ervan uitgegaan dat de verkoopprijs per mondkapje in juni 2021, toen de lading mondkapjes werd vrijgegeven, € 0,39 bedroeg.
2.2
Daarnaast heeft de onderneming stukken overgelegd die moeten aantonen dat de markt in juni 2021 volledig was gestagneerd en dat de mondkapjes onverkoopbaar bleken. De onderneming heeft daarvoor verklaringen overgelegd van haar vaste verkoper die heeft bevestigd dat vanaf juni 2021 geen omzet meer is behaald met de verkoop van mondkapjes, een overzicht van bedrijven die zijn benaderd voor het kopen van mondkapjes, nieuwsbrieven waaruit blijkt dat mondkapjes zijn aangeboden voor € 0,39 per stuk dan wel voor lagere bedragen en een verklaring van de fabrikant van de mondkapjes die verklaart dat de vraag midden 2021 volledig is ingestort. Daarnaast zijn een vaste afnemer en een concurrent benaderd die hebben verklaard dat er medio juni 2021 geen verplichting meer bestond tot het dragen van mondkapjes dan wel dat er geen mondkapjes meer werden verkocht. Ook heeft de onderneming berichtgeving van de media overgelegd waaruit dit blijkt.
2.3
Hoewel de minister betwist dat de onderneming in februari/maart 2021 een verkoopprijs van € 0,82 per mondkapje had kunnen vragen en dat de prijs per mondkapje in juni 2021 € 0,39 bedroeg dan wel dat de mondkapjes onverkoopbaar waren in juni 2021, blijkt uit de overgelegde stukken voldoende dat de markt vanaf medio 2021 verzadigd was. Ook heeft de onderneming in deze procedure voldoende aannemelijk gemaakt dat, voor zover de mondkapjes al niet onverkoopbaar waren, de gemiddelde verkoopprijs per mondkapje in die periode in ieder geval is gedaald met minimaal € 0,03. Dit betekent dat de schade van de onderneming, in ieder geval ten minste € 25.000,- bedraagt, het maximum dat door de bestuursrechter kan worden toegekend (zie de berekening in 1.2).
2.4
De hogerberoepsgrond slaagt.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
3.1
De onderneming heeft het College verzocht een vergoeding toe te kennen voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
3.2
Voor een schadevergoedingsprocedure wegens een onrechtmatig besluit, zoals hier aan de orde, geldt als uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties (zelfstandig verzoek om schadevergoeding bij de rechtbank en hoger beroep) in beginsel is overschreden als die procedure langer duurt dan vier jaar. Daarbij geldt als uitgangspunt dat beide fases in beginsel twee jaar mogen duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten. Bij de beoordeling van de redelijke termijn dient de duur van de procedure als geheel in aanmerking te worden genomen. Uitgangspunt voor schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
3.3
De termijn is begonnen op de datum waarop de rechtbank Rotterdam het verzoekschrift heeft ontvangen, te weten 30 december 2021, en is geëindigd met deze uitspraak. De procedure heeft daarmee afgerond vier jaar geduurd. Er is dan ook geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.
Slotsom
4.1
Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Het College wijst het verzoek om schadevergoeding toe en zal de minister veroordelen aan de onderneming een schadevergoeding van € 25.000,- te betalen.
4.2
Het College zal de minister ook veroordelen in de door de onderneming gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 4.081,50 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank, 1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij het College, en 0,5 punt voor de schriftelijke reactie op de heropeningsbeslissing, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Verder zal het College de minister opdragen het aan de rechtbank en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 908,- te vergoeden.

Beslissing

Het College:
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
  • veroordeelt de minister aan de onderneming een schadevergoeding van € 25.000,- te betalen;
  • draagt de minister op het in totaal betaalde griffierecht van € 908,- aan de onderneming te vergoeden;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van de onderneming tot een bedrag van € 4.081,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. M.J. Jacobs en mr. W.A.J. van Lierop, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
w.g. M.M. Smorenburg w.g. F. Willems