In deze zaak heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 16 december 2025 uitspraak gedaan in het geschil tussen [naam 1] en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het geschil betreft de intrekking van de Taxxxivergunning van [naam 1], een taxichauffeur die op 1 april 2024 taxivervoer heeft aangeboden op de Amsterdamse opstapmarkt zonder geldige vergunning, aangezien zijn Taxxxivergunning op dat moment geschorst was. Het college van b en w had eerder op 16 april 2024 besloten om de vergunning in te trekken, wat door [naam 1] werd bestreden. Tijdens de zitting op 23 oktober 2025 heeft [naam 1] zijn standpunt toegelicht, waarbij hij ontkende taxivervoer te hebben aangeboden en stelde dat de intrekking van zijn vergunning een te zware sanctie was. Het College heeft vastgesteld dat [naam 1] op de taxistandplaats aan het Leidseplein stond met een taxi die de kenmerken van een TTO-taxi had, maar zonder geldige vergunning. Het College oordeelde dat de aanwezigheid van [naam 1] op de standplaats voldoende bewijs was voor het aanbieden van taxivervoer zonder vergunning. Het College heeft de intrekking van de vergunning gerechtvaardigd op basis van het handhavingsbeleid van de gemeente Amsterdam, dat voorschrijft dat bij overtredingen van de Taxiverordening de vergunning kan worden ingetrokken. Het College heeft echter ook vastgesteld dat het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd was en heeft het vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten. Het college van b en w is veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van [naam 1].