ECLI:NL:CBB:2025:619

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
24/893
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:46 AwbArt. 22 Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidiesTitel 4.5 Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College van Beroep stelt subsidie vast op nihil wegens ontbreken stimulerend effect

De onderneming vroeg subsidie aan voor de aanschaf van twee warmtepompen, waarbij zij als verwachte aankoopdatum 16 november 2022 vermeldde. De minister verleende de subsidie, maar stelde deze later op nihil vast omdat bleek dat de aankoopverplichting al op 14 november 2022 was aangegaan, vóór de subsidieaanvraag. Hierdoor ontbrak het vereiste stimulerend effect, een voorwaarde op grond van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies en Europese staatssteunregels.

De onderneming voerde aan dat de aanbetaling op 14 november 2022 slechts een liquiditeitsmaatregel was en dat de feitelijke aankoop pas na subsidieverlening plaatsvond. Ook stelde zij dat het vertrouwensbeginsel was geschonden doordat een ambtenaar had aangegeven dat bij overlegging van een latere offerte de subsidie opnieuw zou worden beoordeeld. Het College oordeelde echter dat de aanbetaling een daadwerkelijke aankoopverplichting vormde en dat de verklaring van het installatiebedrijf onvoldoende was om dit te betwisten.

Verder vond het College dat de minister terecht bevoegd was de subsidie op nihil vast te stellen op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat er geen toezegging was gedaan dat de subsidie zou worden verstrekt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van de onderneming wordt ongegrond verklaard en de subsidie blijft op nihil vastgesteld.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/893

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [woonplaats] (onderneming)

(gemachtigde: W.A. de Vos)
en

de minister van Klimaat en Groene Groei

(gemachtigde: mr. M.J. Schulte)

Procesverloop

Met het besluit van 5 juli 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) een aan de onderneming verleende subsidie voor twee warmtepompen vastgesteld op nihil.
Met het besluit van 4 september 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming tegen het vaststellingsbesluit ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 17 oktober 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: namens de onderneming [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigde, en namens de minister zijn gemachtigde.

Overwegingen

1 Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1
De onderneming heeft op 15 november 2022 subsidie aangevraagd voor twee warmtepompen. Op het aanvraagformulier heeft de onderneming als verwachte aankoopdatum 16 november 2022 vermeld en als verwachte installatiedatum 1 december 2022.
1.2
Met het besluit van 20 december 2022 heeft de minister de onderneming op grond van titel 4.5 Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) van de Regeling subsidie verleend voor twee warmtepompen.
1.3
Op 27 maart 2024 heeft de onderneming om vaststelling van de subsidie verzocht. Op het aanvraagformulier heeft de onderneming als aankoopdatum 15 november 2022 en als installatiedatum 10 maart 2023 vermeld.
1.4
Met het vaststellingsbesluit heeft de minister de subsidie vastgesteld op nihil omdat de onderneming onjuiste gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid (artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). De onderneming had in de subsidieaanvraag als verwachte aankoopdatum van de warmtepompen 16 november 2022 vermeld. Deze informatie blijkt onjuist te zijn. Zij heeft de warmtepompen al op 14 november 2022 aangeschaft. De onderneming is de aankoopverplichting voor de warmtepompen dus al aangegaan vóór het indienen van de subsidieaanvraag op 15 november 2022. Dit betekent dat niet is voldaan aan het vereiste van stimulerend effect als bedoeld in het toepasselijke Europese steunkader (artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies (Kaderbesluit)). Als de minister dit ten tijde van de subsidieaanvraag had geweten, zou hij deze hebben afgewezen.
2 De onderneming is het niet eens met de nihilstelling van de subsidie. Zij voert aan dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van stimulerend effect. Volgens de onderneming is daar in haar geval wel sprake van omdat zij de warmtepompen juist vanwege de subsidiëringsmogelijkheid heeft aangeschaft. De onderneming heeft op de zitting opgemerkt dat de aanbetaling bij mondelinge afspraak op vertrouwensbasis bedoeld was om de liquiditeit van het installatiebedrijf naar de fabrikant toe aan te tonen. De daadwerkelijke aankoop heeft pas na de subsidieverlening plaatsgevonden. De onderneming verwijst ter onderbouwing hiervan naar een verklaring van het installatiebedrijf. Volgens de onderneming hebben het moment van aanbetaling, te weten 14 november 2022 om 21:45 uur en het moment van de subsidieaanvraag, te weten 15 november 2022 om 9:30 uur feitelijk gelijktijdig plaatsvonden. Verder betoogt de onderneming dat de afwijzing van de subsidieaanvraag in strijd is met het vertrouwensbeginsel. De onderneming stelt dat zij er, naar aanleiding van het telefonisch gesprek dat haar accountant op 14 juni 2024 met de behandelaar van het vaststellingsverzoek heeft gevoerd, op mocht vertrouwen dat de subsidie zou worden verstrekt als de onderneming een door partijen ondertekende offerte zou overleggen waaruit zou blijken dat de formele opdracht op een latere datum was gegeven. De onderneming verwijst ter onderbouwing van haar betoog naar een verklaring van haar accountant. De onderneming heeft een ondertekende offerte verstrekt die gedateerd is op 28 november 2022 en geldig was tot 12 december 2022.
3 Op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb kan de minister de verleende subsidie lager vaststellen indien de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van de juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid. Aan de orde is allereerst de vraag of de minister in dit geval bevoegd was om de subsidie op nihil vast te stellen. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend. Hieronder legt het College uit waarom.
3.1.1
Bij haar aanvraag heeft de onderneming als verwachte aankoopdatum 16 november 2022 opgegeven. Uit het vaststellingsverzoek heeft de minister terecht afgeleid dat de onderneming de aankoopverplichting al op 14 november 2022 is aangegaan en daaruit terecht geconcludeerd dat de onderneming onjuiste gegevens heeft verstrekt. Vast staat dat de onderneming op 14 november 2022 door betaling van een factuur van het installatiebedrijf een aanbetaling heeft gedaan, waarbij het op de factuur vermelde type warmtepomp hetzelfde is als dat van de warmtepompen waarvoor de onderneming de subsidieaanvraag heeft ingediend. De door de onderneming gestelde mondeling gemaakte afspraak dat de op 14 november 2022 gedane aanbetaling bedoeld was om de liquiditeit van het installatiebedrijf naar de fabrikant toe aan te tonen, blijkt niet uit de factuur. De verklaring van het installatiebedrijf hierover is onvoldoende om aan te nemen dat de afspraak daadwerkelijk gemaakt is omdat de verklaring pas is overgelegd in de bewaarprocedure en bovendien niet gedateerd is. Dit leidt naar het oordeel van het College tot de conclusie dat de onderneming op 14 november 2022, en dus vóór indiening van de subsidieaanvraag, een aankoopverplichting is aangegaan. Dat de ondertekende offerte dateert van na de indiening van de subsidieaanvraag kan dat niet anders maken.
3.1.2
Als de minister ten tijde van de aanvraag zou hebben geweten dat de aankoopverplichting al op 14 november 2022 was aangegaan zou hij de aanvraag hebben afgewezen. Voor een zakelijke aanvraag, zoals door de onderneming gedaan, geldt op grond van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit namelijk dat de minister een aanvraag voor een ISDE-subsidie moet afwijzen als niet wordt voldaan aan het vereiste van stimulerend effect. Dat vereiste volgt uit Europese regelgeving over staatssteun en is één van de voorwaarden op grond waarvan staatssteun gerechtvaardigd is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 28 oktober 2025, ECLI:NL:CBB:2025:579, onder 4.1). Het vereiste houdt in dat de subsidie moet worden aangevraagd voordat tot aanschaf van apparaten – in dit geval twee warmtepompen – wordt overgegaan. Omdat de onderneming de subsidie pas na aanschaf van de warmtepompen heeft aangevraagd, is niet aan het vereiste van stimulerend effect voldaan. De Europese regelgeving over staatssteun en het Kaderbesluit bieden geen ruimte voor de interpretatie van de onderneming dat wel sprake zou zijn van stimulerend effect omdat zij de warmtepompen vanwege de subsidiëringsmogelijkheid heeft aangeschaft. De minister was daarom op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd om de verleende subsidie op nihil te stellen.
3.2
De minister heeft ook van de bevoegdheid van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb gebruik mogen maken. Het beroep van de onderneming op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. In het telefonisch contact op 14 juni 2024 is door de behandelend ambtenaar gezegd dat als er een ondertekende offerte van een latere datum zou worden aangeleverd, er opnieuw beoordeeld zou worden. Daarmee is geen sprake is van een toezegging dat de subsidie zou worden verstrekt bij overlegging van ondertekende offerte van een latere datum.
4 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. H. Caglayankaya, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.
w.g. M. van Duuren w.g. H. Caglayankaya