Bijlage
Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren
Artikel 10 - Voorwaarden voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten
1. Gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten mogen niet uit een gebied of een derde land naar een lidstaat worden verplaatst, tenzij zij voldoen aan de volgende voorwaarden:
zij zijn gemerkt overeenkomstig artikel 17, lid 1;
zij hebben een vaccinatie tegen rabiës ontvangen die voldoet aan de geldigheidsvoorschriften van bijlage III;
zij hebben een titreringstest op rabiësantilichamen ondergaan die voldoet aan de geldigheidsvoorschriften van bijlage IV;
zij voldoen aan de preventieve gezondheidsmaatregelen voor andere ziekten of infecties dan rabiës die zijn vastgesteld uit hoofde van artikel 19, lid 1;
zij gaan vergezeld van een naar behoren ingevuld identificatiedocument dat is
afgegeven overeenkomstig artikel 26.
2. Het verkeer van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten naar een lidstaat uit een ander gebied of derde land dan die welke vermeld zijn in de op grond van artikel 13, lid 1, vastgestelde lijst, mag uitsluitend via een punt van binnenkomst voor reizigers, dat op grond van artikel 34, lid 3, vermeld is op een lijst.
3. In afwijking van lid 2 kunnen de lidstaten toestaan dat het verkeer van geregistreerde militaire, speur- of reddingshonden via een ander punt van binnenkomst dan dat voor reizigers verloopt, op voorwaarde dat:
de eigenaar of de gemachtigde persoon van tevoren een vergunning heeft aangevraagd en de lidstaat deze vergunning heeft verstrekt, en
de honden aan nalevingscontroles zijn onderworpen op een door de bevoegde autoriteit daartoe aangewezen plaats overeenkomstig artikel 34, lid 2, en overeenkomstig de voorwaarden van de in de onder a) van dit lid bedoelde vergunning.
Artikel 17 - Het merken van gezelschapsdieren
1. Gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten worden gemerkt door het inplanten van een transponder of door een duidelijk leesbare tatoeage die vóór 3 juli 2011 is aangebracht.
Artikel 25 - Formaat en inhoud van het identificatiedocument bedoeld in artikel 10, lid 1, onder e)
1. Het in artikel 10, lid 1, onder e), bedoelde identificatiedocument heeft het formaat van een diergezondheidscertificaat overeenkomstig het uit hoofde van lid 2 van dit artikel vast te stellen model en bevat rubrieken voor het vermelden van de volgende informatie:
a. plaats van de transponder of de tatoeage en, hetzij de datum waarop de transponder is ingebracht, hetzij de datum waarop de transponder is uitgelezen of de tatoeage is gecontroleerd, alsmede de alfanumerieke code die op de transponder of de tatoeage is vermeld;
b. soort, ras, door de eigenaar opgegeven geboortedatum, geslacht en kleur van het gezelschapsdier;
c. een uniek referentienummer van het certificaat;
d. naam en contactgegevens van de eigenaar of de gemachtigde persoon;
e. naam, contactgegevens en handtekening van de officiële of gemachtigde dierenarts die het identificatiedocument afgeeft;
f. bijzonderheden over de vaccinatie tegen rabiës;
g. datum van de bloedbemonstering voor de titreringstest op rabiësantilichamen;
h. naleving van de preventieve gezondheidsmaatregelen voor andere ziekten of infecties dan rabiës;
i. naam en handtekening van de vertegenwoordiger van de goedkeurende bevoegde autoriteit;
j. naam, handtekening en contactgegevens van de vertegenwoordiger van bevoegde autoriteit die de controles bedoeld in artikel 34 uitvoert en de datum van die controles;
k. andere relevante informatie betreffende de gezondheidsstatus van het gezelschapsdier.
2. De Commissie stelt de uitvoeringshandeling vast tot vaststelling van het in lid 1 van dit artikel bedoelde model alsmede van de voorschriften betreffende de talen, de opmaak en de geldigheid van het in dat lid bedoelde diergezondheidscertificaat. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
3. Het in artikel 10, lid 1, onder e), bedoelde identificatiedocument bevat een schriftelijke verklaring, ondertekend door de eigenaar of de gemachtigde persoon, waarin wordt bevestigd dat de verplaatsing van het gezelschapsdier naar de Unie niet-commercieel verkeer betreft.
Artikel 26 - Afgifte en invulling van het identificatiedocument bedoeld in artikel 10, lid 1, onder e)
Het in artikel 10, lid 1, onder e), bedoelde identificatiedocument wordt afgegeven door een officiële dierenarts van het gebied of derde land van verzending op grond van bewijsstukken, of door een gemachtigde dierenarts, waarna het door de bevoegde autoriteit van het gebied of derde land van verzending wordt bekrachtigd, nadat de afgevende dierenarts:
a. zich ervan heeft vergewist dat het gezelschapsdier overeenkomstig artikel 17, lid 1, is gemerkt, en naar behoren de betrokken rubrieken met de in artikel 25, lid 1, onder a) tot en met h), bedoelde informatie in het identificatiedocument heeft ingevuld, waarmee wordt gecertificeerd dat aan de voorwaarden van artikel 10, lid 1, onder a) en, indien van toepassing, onder b), c) en d), is voldaan.
Artikel 27 - Afwijking van het in artikel 25, lid 1, bepaalde formaat van het identificatiedocument
In afwijking van artikel 25, lid 1, staan de lidstaten het niet- commerciële verkeer naar hun grondgebied van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten toe, mits die vergezeld gaan van een overeenkomstig artikel 22 afgegeven identificatiedocument, en mits:
a. het identificatiedocument is afgegeven in een van de gebieden of derde landen die vermeld worden in de op grond van artikel 13, lid 1, vastgestelde lijst, of
b. deze gezelschapsdieren na verplaatsing naar of doorvoer door een gebied of derde land uit een lidstaat, in een lidstaat worden binnengebracht en het identificatiedocument is ingevuld en afgegeven door een gemachtigde dierenarts die certificeert dat de gezelschapsdieren, voordat zij de Unie ver laten:
i. i) de in artikel 10, lid 1, onder b), bedoelde vaccinatie tegen rabiës hebben ontvangen, en
ii) de in artikel 10, lid 1, onder c), bedoelde titreringstest op rabiësantilichamen hebben ondergaan, behalve bij de in artikel 12 vastgestelde afwijking.
Artikel 35 - Maatregelen wanneer tijdens de in de artikelen 33 en 34 bedoelde controles blijkt dat niet aan de voorschriften wordt voldaan
1. Wanneer uit de in de artikelen 33 en 34 bedoelde controles blijkt dat een gezelschapsdier niet voldoet aan de voorwaarden van hoofdstuk II of III, besluit de bevoegde autoriteit in overleg met de officiële dierenarts en, indien nodig, met de eigenaar of de gemachtigde persoon om:
a. het gezelschapsdier terug te sturen naar zijn land of gebied van verzending;
b. het gezelschapsdier onder officieel toezicht af te zonderen gedurende de tijd die nodig is om te voldoen aan de in hoofdstuk II of III vastgestelde voorwaarden, of
c. in laatste instantie, wanneer terugzending of afzondering niet uitvoerbaar is, het dier af te maken overeenkomstig de toepasselijke nationale voorschriften inzake de bescherming van gezelschapsdieren bij het doden.
2. Wanneer het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren naar de Unie door de bevoegde autoriteit wordt geweigerd, worden de gezelschapsdieren onder officiële controle afgezonderd in afwachting van:
a. hun terugkeer naar hun land of gebied van verzending, of
b. de vaststelling van een ander administratief besluit betreffende die gezelschapsdieren.
3. De in de leden 1 en 2 genoemde maatregelen worden toegepast op kosten van de eigenaar, zonder mogelijke financiële compensatie voor de eigenaar of de gemachtigde persoon.
Bijlage III - Geldigheidsvoorschriften voor vaccinaties tegen rabiës
1. Het vaccin tegen rabiës moet:
a. een ander dan een levend gemodificeerd vaccin zijn en onder een van de volgende categorieën vallen:
i. i) een geïnactiveerd vaccin met ten minste één antigeneenheid per dosis (aanbeveling van de Wereldgezondheidsorganisatie), of
ii) een recombinant vaccin dat de immuniserende glycoproteïne van het rabiësvirus in een levende virusvector tot expressie brengt;
b. wanneer het wordt toegediend in een lidstaat, een vergunning voor het in de handel brengen hebben verkregen overeenkomstig:
i. i) artikel 5 van Richtlijn 2001/82/EG, of
ii) artikel 3 van Verordening (EG) nr. 726/2004;
wanneer het wordt toegediend in een gebied of derde land, een goedkeuring of een licentie van de bevoegde autoriteit hebben ontvangen en ten minste voldoen aan de voorschriften die zijn vastgesteld in het relevante deel van het hoofdstuk betreffende rabiës in het Handboek inzake normen voor diagnostische tests en vaccins voor landdieren van de Wereldorganisatie voor diergezondheid.
2. Een vaccinatie tegen rabiës moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
a. het vaccin is toegediend door een gemachtigde dierenarts;
b. het gezelschapsdier is op de datum van toediening van het vaccin minstens twaalf weken oud;
c. de vaccinatiedatum is door een gemachtigde of officiële dierenarts vermeld in de desbetreffende rubriek van het identificatiedocument;
d. de onder c) bedoelde vaccinatiedatum mag niet voorafgaan aan de datum waarop de transponder is ingeplant of de tatoeage is aangebracht, dan wel aan de datum waarop de transponder of de tatoeage gelezen zijn, als vermeld in de desbetreffende rubriek van het identificatiedocument;
e. de geldigheidsduur van de vaccinatie gaat in vanaf de vaststelling van de beschermende immuniteit, die niet minder dan 21 dagen na de voltooiing van het door de producent voor de primaire vaccinatie vereiste vaccinatieprotocol plaatsvindt, en loopt door tot het einde van de periode van beschermende immuniteit, als voorgeschreven in de technische specificatie van de in punt 1, onder b), bedoelde vergunning of de in punt 1, onder c), bedoelde goedkeuring of licentie voor het vaccin tegen rabiës in de lidstaat of het gebied of derde land waar het vaccin wordt toegediend;
De geldigheidsduur van de vaccinatie is door een gemachtigde of een officiële dierenarts vermeld in de desbetreffende rubriek van het identificatiedocument.
f. een herhalingsvaccinatie moet als een primaire vaccinatie worden beschouwd indien deze niet binnen de onder e) bedoelde geldigheidsduur van de eerdere vaccinatie is uitgevoerd.
Bijlage IV - Geldigheidsvoorschriften voor de titreringstest op rabiësantilichamen
1. De verzameling van het bloedmonster voor de uitvoering van de titreringstest op rabiësantilichamen moet door een gemachtigde dierenarts worden uitgevoerd en in de desbetreffende rubriek van het identificatiedocument worden gedocumenteerd.
2. De titreringstest op rabiësantilichamen moet:
a. worden uitgevoerd op een monster dat ten minste 30 dagen na de vaccinatiedatum is verzameld, en
i. i) niet minder dan drie maanden vóór de datum van:
— het niet-commerciële verkeer uit een ander gebied of derde land dan die welke zijn opgenomen in de overeenkomstig artikel 13, lid 1 of lid 2, vastgestelde uitvoeringshandelingen, of
— de doorvoer door een dergelijk gebied of derde land waar niet aan de voorwaarden van artikel 12, onder c), wordt voldaan, of
ii) voordat het dier de Unie heeft verlaten om verplaatst te worden naar of doorgevoerd te worden door een ander gebied of derde land dan die welke op grond van artikel 13, lid 1 of lid 2, op de lijst zijn opgenomen; het identificatiedocument in het in artikel 21, lid 1, vastgestelde formaat moet bevestigen dat vóór de datum van de verplaatsing een titreringstest op rabiësantilichamen met gunstig resultaat is uitgevoerd;
b. een niveau van neutraliserende antilichamen tegen het rabiësvirus in serum meten dat gelijk is aan of groter is dan 0,5 IU/ml, waarbij gebruik wordt gemaakt van een methode die wordt voorgeschreven in het desbetreffende deel van het hoofdstuk betreffende rabiës in het Handboek inzake normen voor diagnostische tests en vaccins voor landdieren van de Wereldorganisatie voor diergezondheid;
c. worden uitgevoerd in een erkend laboratorium overeenkomstig artikel 3 van Beschikking 2000/258/EG;
d. niet worden hernieuwd na een toereikend resultaat, als beschreven onder b), mits het gezelschapsdier opnieuw wordt gevaccineerd binnen de in punt 2, onder e), van bijlage III vermelde geldigheidsduur van de vorige vaccinatie.