In deze zaak betwist [naam 1] de vaststelling door de minister van Landbouw van de subsidiabele oppervlakte van zijn graslandpercelen in het veenweidegebied voor het jaar 2022. De minister had de oppervlakte vastgesteld op 38,61 hectare, terwijl [naam 1] 39,06 hectare had opgegeven. De discussie spitst zich toe op de grens tussen water en land, waarbij de minister luchtfoto’s gebruikte die mogelijk een vertekend beeld geven.
Het College oordeelt dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de weersomstandigheden bij de luchtfoto’s en onvoldoende aandacht heeft besteed aan eerdere jaren waarin de oppervlakte steeds hoger werd vastgesteld. Hierdoor is het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd, in strijd met de Algemene wet bestuursrecht.
Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de minister opgedragen de aanvraag voor 2022 te honoreren op basis van 39,06 hectare. Daarnaast veroordeelt het College de Staat tot vergoeding van proceskosten en een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak biedt de minister ruimte om in de toekomst gemotiveerd een lagere oppervlakte vast te stellen.