ECLI:NL:CBB:2025:207

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
27 februari 2025
Publicatiedatum
26 maart 2025
Zaaknummer
22/828
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
paragraaf 3.12 Tijdelijke kaderregeling staatssteun
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen afwijzing subsidie ongedekte vaste kosten land- en tuinbouwbedrijven COVID-19

Een land- en tuinbouwbedrijf heeft een subsidieaanvraag ingediend op grond van de Regeling subsidie financiering ongedekte vaste kosten land- en tuinbouwbedrijven COVID-19 (OVK) voor het tweede kwartaal. De minister wees de aanvraag af omdat het omzetverlies van de onderneming minder dan 30% bedroeg, een vereiste voor toekenning.

De onderneming stelde dat de regeling onevenredig nadelig voor haar uitpakte omdat slechts één referentieperiode (het tweede kwartaal van 2019) werd gehanteerd, waardoor seizoensgebonden omzetschommelingen niet werden meegenomen. Zij verwees naar de TVL-regeling waarbij andere referentieperioden mogelijk zijn, en beriep zich op het gelijkheidsbeginsel.

Het College overwoog dat de OVK is gebaseerd op de Tijdelijke kaderregeling staatssteun en door de Europese Commissie is goedgekeurd. Er is geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel of willekeur, omdat de regeling specifiek is voor land- en tuinbouwbedrijven met een lager staatssteunplafond. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde, omdat de nadelige gevolgen niet zo zwaarwegend zijn dat het artikel 1 van Pro de OVK buiten toepassing moet blijven.

Het College concludeerde dat de minister terecht het tweede kwartaal van 2019 als referentieperiode heeft gehanteerd en de subsidieaanvraag terecht heeft afgewezen wegens onvoldoende omzetverlies.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende omzetverlies.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/828
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2025

Rechter: mr. W.J.A.M. van Brussel

Griffier: mr. M. Ettema

Partijen

[naam] , te [woonplaats] (onderneming)

en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. J.W.P. van Oosten en mr. P. van Veen

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De onderneming heeft een subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering ongedekte vaste kosten land- en tuinbouwbedrijven COVID-19 (OVK) voor het tweede kwartaal (Q2) aangevraagd. Vanaf het eerste kwartaal van 2021 konden land- en tuinbouwbedrijven, als zij de maximale subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) hadden aangevraagd, voor de nog ongedekte vaste kosten OVK-subsidie aanvragen. De minister heeft de subsidieaanvraag afgewezen, omdat het geleden omzetverlies van de onderneming minder dan 30% is. De onderneming is het daar niet mee eens.
2 De onderneming stelt zich op het standpunt dat zij onevenredig hard wordt getroffen doordat in de OVK maar één referentieperiode (het tweede kwartaal van 2019) is opgenomen waardoor geen rekening kan worden gehouden met omzetschommelingen die het gevolg zijn van haar seizoensgebonden werkzaamheden. Als de onderneming, zoals in de TVL, een andere referentieperiode had kunnen kiezen dan was zij wel voor subsidie in aanmerking gekomen. De minister moet gelijke gevallen zoveel mogelijk gelijk behandelen.
3 Het College heeft in zijn uitspraak van 23 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:24) overwogen dat de OVK is gebaseerd op paragraaf 3.12 van de Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (Tijdelijke kaderregeling) en dat de OVK niet onverbindend is vanwege strijd met algemene rechtsbeginselen. Om ongeoorloofde staatssteun te voorkomen heeft de minister bij het opstellen van de OVK aansluiting gezocht bij paragraaf 3.12 van de Tijdelijke kaderregeling en de op grond daarvan geldende voorwaarden. De Europese Commissie heeft de OVK goedgekeurd.
4 Er is geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur. De OVK is een aanvullende regeling die specifiek voor land- en tuinbouwbedrijven is opgesteld, omdat voor hen (vanwege het landbouwbeleid en steunmaatregelen van de EU) een lager staatssteunplafond geldt dan voor andere bedrijven. De minister is op grond van deze beginselen niet verplicht om in een aanvullende regeling dezelfde voorwaarden op te nemen als in de TVL om rekening te houden met omzetschommelingen van de onderneming.
5 Naar het oordeel van het College zijn er geen bijzondere omstandigheden die maken dat de voor de onderneming nadelige gevolgen van de toepassing van de referentieperiode (het tweede kwartaal van 2019) zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat artikel 1 van Pro de OVK in het voorliggende geval achterwege moet blijven. Dat de afwijzing financiële gevolgen heeft is daarvoor onvoldoende en verder is niet gebleken dat de gevolgen voor de bedrijfsvoering onevenredig zijn. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet.
6 De minister heeft Q2 van 2019 als referentiekwartaal mogen gebruiken. Hij heeft de aanvraag van de onderneming terecht afgewezen, omdat haar omzetverlies minder dan 30% is.
w.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. M. Ettema