Op 7 januari 2020 voerde een toezichthouder van de NVWA een inspectie uit bij het bedrijf van eiseres, waarbij werd vastgesteld dat vlak voor de broeibak geen medewerker of apparatuur aanwezig was om te controleren of dieren tekenen van leven vertoonden. De minister legde op 17 juli 2020 een boete van € 2.500,- op wegens overtreding van artikel 15, eerste lid, van Verordening 1099/2009.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van eiseres ongegrond. Eiseres voerde aan dat de dieren correct waren bedwelmd en dat er toezicht was via medewerkers en camerabeelden, maar de rechtbank oordeelde dat de controle op afwezigheid van tekenen van leven expliciet moest plaatsvinden vlak voor de broeibak, wat niet gebeurde.
In hoger beroep stelde eiseres dat er wel degelijk toezicht was en dat de toezichthouder zich niet op de juiste plek bevond, maar het College oordeelde dat het rapport van bevindingen en de videobeelden de constatering van de toezichthouder bevestigen. Het College stelde vast dat het bestuursorgaan de bewijslast droeg en dat de overtreding terecht was vastgesteld.
Daarnaast oordeelde het College dat de redelijke termijn van de procedure was overschreden met negen maanden en matigde de boete met 10% tot € 2.250,-. Het hoger beroep werd verder afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd voor zover niet vernietigd.