ECLI:NL:CBB:2024:881

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
3 december 2024
Publicatiedatum
29 november 2024
Zaaknummer
23/1341
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 2 Algemene de-minimisverordening
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen vaststelling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 op € 0,- wegens staatssteunplafond

De minister van Economische Zaken stelde de subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vast op € 0,- en vorderde het betaalde voorschot van € 26.262,- terug. De onderneming betwistte dat zij tot een groep behoort en stelde bezwaar in tegen deze vaststelling. Na afwijzing van het bezwaar door de minister, stelde de onderneming beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Het College oordeelde zonder zitting dat de minister terecht het staatssteunplafond van € 1.800.000,- toepaste op de groep waartoe de onderneming behoort. Dit volgt uit de definitie van groep in de TVL en de algemene de-minimisverordening, waarbij de meerderheid van stemrechten door een andere onderneming bepalend is. De onderneming had niet de meerderheid van stemrechten, maar haar moedermaatschappij [naam 2] B.V. wel.

De onderneming voerde aan dat er geen sprake is van centrale leiding en dat het staatssteunplafond een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen groepsondernemingen en kleinere ondernemingen. Het College verwierp deze argumenten, verwijzend naar eerdere jurisprudentie en het feit dat de minister niet van het staatssteunplafond mag afwijken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van de onderneming tegen de vaststelling van de subsidie op nul euro wegens het staatssteunplafond wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1341
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 3 december 2024 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming)

(gemachtigde: mr. K. Strooper)
en

de minister van Economische Zaken

Procesverloop

Met het besluit van 20 april 2022 heeft de minister de subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 26.262,- teruggevorderd.
Met het besluit van 14 april 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Beoordeling

1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2. De minister heeft de subsidie op € 0,- vastgesteld, omdat aan de groep waartoe de onderneming behoort al het maximale bedrag van € 1.800.000,- (de staatssteungrens) aan subsidie is verleend. De onderneming betwist dat zij tot een groep behoort.
3. Voor de definitie van een groep wordt in de TVL verwezen naar artikel 2, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening. Hierin staat onder meer dat sprake is van één (groeps)onderneming als één onderneming de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van een andere onderneming heeft. In dit geval volgt uit de akte van oprichting van de onderneming dat [naam 2] B.V. twee-derde van de volgestorte aandelen met stemrecht heeft, namelijk de helft van de gewone aandelen en alle cumulatief preferente aandelen. Dit betekent dat [naam 2] B.V. een meerderheid van de stemrechten in de onderneming heeft en dat dus sprake is van één (groeps)onderneming. De minister heeft daarom terecht voor deze ondernemingen gezamenlijk het staatssteunplafond toegepast. Dat er geen sprake is van een centrale leiding, zoals de onderneming heeft betoogd, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de TVL noch de algemene de-minimisverordening volgt dat dit een vereiste is voor de kwalificatie als groep.
4. De onderneming heeft verder betoogd dat er een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt. Een groepsonderneming wordt op deze manier veel harder geraakt door de pandemie dan een in omvang kleinere onderneming. Dit betoog slaagt niet. Zoals het College eerder heeft overwogen (vergelijk (onder 6.5 van) de uitspraak van het College van 14 november 2023, ECLI:NL:CBB:2023:622) [1] , is het inherent aan het toepassen van een staatssteunplafond – dat door de Europese Commissie is vastgesteld en waarvan de minister niet naar boven kan afwijken – dat eenzelfde maximaal steunbedrag voor alle MKB-ondernemingen ertoe kan leiden dat een MKB-onderneming minder tegemoetkoming voor vaste lasten krijgt dan zonder dat plafond. Van een ongerechtvaardigd onderscheid of strijd met het gelijkheidsbeginsel is daarom geen sprake.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2024.
w.g. B. Bastein w.g. A.A. Dijk
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.

Voetnoten

1.De uitspraken van het College zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.