Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2024:844

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
19 november 2024
Publicatiedatum
14 november 2024
Zaaknummer
23/110
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 2:17 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar subsidieaanvraag wegens niet-tijdige indiening

Appellante maakte bezwaar tegen een subsidieaanvraag die gedeeltelijk was toegekend. Zij had op 8 mei 2022 een bezwaarschrift in eLoket aangemaakt, maar dit niet daadwerkelijk ingediend, waardoor het slechts een concept bleef. De minister ontving het bezwaarschrift pas op 4 oktober 2022 per e-mail, na het verstrijken van de bezwaartermijn van zes weken.

De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, welke niet verschoonbaar was. Appellante voerde aan dat technische problemen met haar iPad de indiening bemoeilijkten, maar kon dit niet aannemelijk maken. Het College bevestigde dat het bezwaarschrift niet tijdig was ontvangen en dat de termijnoverschrijding haar kan worden toegerekend.

Daarnaast stelde appellante dat de redelijke termijn voor uitspraak was overschreden en vorderde zij een dwangsom. Het College kwalificeerde dit als een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en kende haar € 500,- toe, omdat de behandeling van het beroep langer dan anderhalf jaar duurde en de overschrijding volledig aan het College kon worden toegerekend.

Het beroep werd ongegrond verklaard en de Staat werd veroordeeld tot betaling van de immateriële schadevergoeding aan appellante.

Uitkomst: Het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening en de Staat werd veroordeeld tot betaling van € 500,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/110

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2024 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats]

en

de minister van Klimaat en Groene Groei

(gemachtigde: mr. E. Hol)
en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid)

Procesverloop

Met het besluit van 19 april 2022 heeft de minister de aanvraag van [naam] om subsidie op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies voor energiebesparende isolatiemaatregelen (gedeeltelijk) toegekend en de subsidie vastgesteld.
Met het besluit van 8 december 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam] daartegen niet-ontvankelijk verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
[naam] heeft een nader stuk ingediend.
De zitting was op 7 oktober 2024. Aan de zitting hebben [naam] en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Overwegingen

1. Omdat [naam] het niet eens is met het besluit van 19 april 2022 heeft ze op
8 mei 2022 een bezwaarschrift aangemaakt in eLoket, het webportaal van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Op 30 september 2022 heeft [naam] in eLoket een aanvulling gemaakt op het desbetreffende bezwaarschrift en diezelfde dag per e-mail een onderbouwing gegeven van de aangebrachte isolatiemaatregelen. Op de vraag van de RVO wat de bedoeling van [naam] is met de desbetreffende e-mails daar er in het systeem geen bezwaarschrift is geregistreerd heeft zij op 4 oktober 2022 per e-mail een kopie gestuurd van haar bezwaarschrift van 8 mei 2022.
2 Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 19 april 2022 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het op 4 oktober 2022 ingediende bezwaarschrift niet tijdig is en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Ingevolge de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had het bezwaarschrift uiterlijk 31 mei 2022 moeten zijn ingediend. De minister heeft in dit verband opgemerkt dat hij het op 8 mei 2022 in eLoket aangemaakte bezwaarschrift niet als zodanig aanmerkt omdat [naam] het desbetreffende bezwaarschrift niet heeft ingediend, waardoor het slechts een concept is gebleven. Van redenen om de termijnoverschrijding op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb verschoonbaar te achten is volgens de minister geen sprake.
3 [naam] voert aan dat de minister haar bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat zij wel degelijk tijdig bezwaar heeft gemaakt. De minister heeft haar bezwaarschrift van 8 mei 2022 namelijk wel ontvangen. [naam] merkt op dat zij in verband met haar bezwaarschrift gebruik heeft gemaakt van een iPad en dat deze geen verzendknop heeft. Ook bij de op 30 september 2022 via haar iPad gedane aanvulling op haar bezwaar van 8 mei 2022 heeft ze niet ter bevestiging op een verzendknop geklikt maar is die aanvulling wel door de minister als een bezwaarschrift aangemerkt. [naam] merkt op dat haar het gevoel bekruipt dat de overheid er alles aan probeert te doen om het de burgers zo moeilijk mogelijk te maken een bezwaarschrift in te dienen en een ingediend bezwaarschrift niet in behandeling te nemen. De digitale indiening van de subsidieaanvraag was voor haar, als 75-plusser, al complex genoeg. Zowel de aanvraag- als de bezwaarprocedure hebben haar ontzettend veel stress bezorgd. [naam] betoogt tot slot dat de wettelijke dan wel de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak inmiddels is overschreden en dat het College haar een dwangsom verschuldigd is indien niet binnen twee weken uitspraak wordt gedaan.
4 Aan de orde is de vraag of de minister het bezwaar van [naam] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.1
Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt in samenhang met artikel 6:7 van Pro de Awb dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen. Op grond van artikel 2:17, tweede lid, van de Awb geldt als tijdstip waarop een bericht door een bestuursorgaan elektronisch is ontvangen het tijdstip waarop het bericht zijn systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt. Is een bezwaarschrift buiten de termijn ingediend dan is het in beginsel niet-ontvankelijk. Op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest. De termijnoverschrijding is dan verschoonbaar.
4.2
Het College moet eerst beoordelen of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [naam] niet binnen de termijn bezwaar heeft gemaakt. Als dit het geval is moet het College conform het beoordelingskader in zijn uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31) vervolgens beoordelen of de termijnoverschrijding aan haar kan worden toegerekend. Het College beantwoordt beide vragen bevestigend. Hieronder legt het College uit waarom.
4.3
De minister heeft het besluit op de subsidieaanvraag door toezending op 19 april 2022 op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. De bezwaartermijn eindigde dus op 31 mei 2022. Het is de verantwoordelijkheid van [naam] om tijdig een bezwaarschrift in te dienen. De bewijslast hiervan ligt bij haar.
4.4
Naar het oordeel van het College is [naam] er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat het bezwaarschrift tijdig, dus uiterlijk 31 mei 2022, het systeem van de minister voor gegevensverwerking heeft bereikt. Uit het bij het bestreden besluit gevoegde screenshot van eLoket blijkt dat het bezwaarschrift inderdaad op 8 mei 2022 is aangemaakt, maar niet dat het ook is ingediend. Verder is van belang dat [naam] niet heeft betwist dat zij geen ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift heeft ontvangen, terwijl bij een (succesvolle) verzending automatisch een ontvangstbevestiging wordt verstuurd. De minister heeft in het bestreden besluit verder nog opgemerkt dat hem geen storingen op 8 mei 2022 binnen eLoket bekend waren. [naam] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit wel het geval was. Het College concludeert uit het voorgaande dan ook dat [naam] op de genoemde datum geen bezwaarschrift heeft ingediend.
4.5
Aangezien de minister (pas) met de op 4 oktober 2022 per e-mail verzonden kopie van het bezwaarschrift van 8 mei 2022 daadwerkelijk een bezwaarschrift heeft ontvangen is er sprake van een termijnoverschrijding. Anders dan [naam] stelt heeft de minister de door haar op 30 september 2022 in eLoket gedane aanvulling op het bezwaarschrift van 8 mei 2022 niet als een bezwaarschrift gekwalificeerd. Het College overweegt in dit verband dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat [naam] de bedoelde aanvulling op 30 september 2022 via eLoket heeft ingediend. Maar ook als dat wel het geval zou zijn geweest is er nog steeds sprake van een termijnoverschrijding. [naam] heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verwijtbaar is of haar een slechts gering verwijt treft. Het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift kan dus aan haar worden toegerekend, zodat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
4.6
Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft de minister het bezwaar van [naam] terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
5 [naam] heeft in het kader van de voorliggende procedure betoogd dat de wettelijke dan wel de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak inmiddels is overschreden en dat het College haar een dwangsom verschuldigd is indien niet binnen twee weken uitspraak wordt gedaan. Het College heeft dit opgevat als een verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het College heeft de Staat daarom aangemerkt als partij.
5.1
In zaken als hier aan de orde geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De redelijke termijn vangt aan met de ontvangst van het bezwaarschrift door de minister.
5.2
De minister heeft het bezwaarschrift op 4 oktober 2022 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met anderhalve maand overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. [naam] heeft daarom recht op € 500,- schadevergoeding.
5.3
Aangezien de behandeling van het bezwaar minder dan een half jaar heeft geduurd maar de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar is de overschrijding volledig toe te rekenen aan het College. Het College zal daarom op grond van artikel 8:88 van Pro de Awb de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,- aan [naam] .

Beslissing

Het College:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat om aan [naam] een vergoeding voor immateriële schade van € 500,- te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. H. Caglayankaya, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2024.
w.g. H.S.J. Albers w.g. H. Caglayankaya