ECLI:NL:CBB:2024:80
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidies vaste lasten COVID-19 wegens te late indiening niet in strijd met evenredigheidsbeginsel
De ondernemers dienden aanvragen in voor subsidies op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor verschillende kwartalen, maar deze aanvragen werden door de minister afgewezen omdat zij buiten de daarvoor gestelde aanvraagtermijnen waren ingediend.
De ondernemers voerden aan dat bijzondere omstandigheden, zoals uitsluiting van de advocatuur van de regeling en persoonlijke omstandigheden (ziekte en stress), het tijdig indienen belemmerden en dat de minister onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd had gehandeld. Ook stelden zij dat er verwachtingen waren gewekt door een medewerker van de contactservice van RVO.
Het College oordeelt dat de afwijzing op grond van te late indiening een dwingende afwijzingsgrond is en dat noch de Algemene wet bestuursrecht noch de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies ruimte bieden voor afwijking. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt omdat de omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat de ondernemers niet zelf verantwoordelijk zijn voor het tijdig indienen. Ook de stellingen over onzorgvuldigheid en het vertrouwensbeginsel slagen niet.
Het College verklaart de beroepen ongegrond en wijst de aanvragen af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De beroepen van de ondernemers tegen de afwijzing van hun subsidieaanvragen wegens te late indiening worden ongegrond verklaard.