ECLI:NL:CBB:2024:690

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
8 oktober 2024
Publicatiedatum
4 oktober 2024
Zaaknummer
23/2018
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbAlgemene wet bestuursrechtKaderwet EZK- en LNV-subsidies
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidieaanvraag vaste lasten financiering COVID-19 niet in strijd met evenredigheidsbeginsel

De onderneming diende een subsidieaanvraag in voor het eerste kwartaal van 2022 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL). Deze aanvraag werd door de minister afgewezen omdat deze buiten de gestelde termijn was ingediend. De onderneming maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde de onderneming beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Het College oordeelde zonder zitting dat de aanvraagperiode voor de subsidie liep van 28 februari tot en met 31 maart 2022 en dat de minister verplicht is aanvragen buiten deze termijn af te wijzen. De minister hanteert een beleid waarbij alleen in uitzonderlijke gevallen, zoals ernstige persoonlijke omstandigheden, coulance wordt betracht op grond van het evenredigheidsbeginsel.

De onderneming stelde dat de oud-bestuurster en haar echtgenoot ernstige gezondheidsproblemen hadden, waardoor tijdige indiening niet mogelijk was. Het College stelde echter vast dat de onderneming ook in andere aanvraagperiodes wel tijdig aanvragen had ingediend ondanks de medische problemen. Bovendien had de onderneming de mogelijkheid om de aanvraag door een ander te laten doen. Daarom concludeerde het College dat er geen bijzondere omstandigheden waren die de afwijzing onevenredig maakten.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de subsidieaanvraag bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de te laat ingediende subsidieaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/2018
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2024 in de zaak tussen

[naam] B.V., te [plaats] (onderneming)

en

de minister van Economische Zaken

Procesverloop

Met het besluit van 1 juni 2023 heeft de minister de melding van de onderneming van
30 mei 2023 aangemerkt als pro-forma-aanvraag om een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2022 en deze vervolgens afgewezen.
Met het besluit van 6 november 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Beoordeling

1 Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2.1
Een subsidieaanvraag voor Q1 van 2022 kon worden ingediend in de periode van
28 februari 2022 (vanaf 8.00 uur) tot en met 31 maart 2022 (vóór 17.00 uur). Uit de TVL volgt dat de minister een aanvraag moet afwijzen als deze niet tijdig is ingediend. De Awb en de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (waar de TVL op gebaseerd is) bieden geen grondslag om daarvan af te wijken.
2.2
Als een ondernemer na het verstrijken van de aanvraagperiode contact opneemt met de minister om een probleem bij de aanvraag te melden, merkt de minister deze melding aan als pro-forma-aanvraag en beoordeelt hij vervolgens of de door een ondernemer aangevoerde omstandigheden aanleiding geven om hem op grond van het evenredigheidsbeginsel alsnog de mogelijkheid te bieden een aanvraag in te dienen. Bij die beoordeling neemt de minister als uitgangspunt dat het de eigen verantwoordelijkheid van ondernemers is om tijdig een aanvraag in te dienen. In sommige gevallen vindt de minister het tegenwerpen van deze eigen verantwoordelijkheid echter niet evenredig. Dan gaat het om gevallen waarin ten tijde van de aanvraagperiode sprake was van ‘ernstige persoonlijke omstandigheden’. Ondernemers kunnen ook een beroep doen op ‘overige omstandigheden’. Zie ook de uitspraak van het College van 13 juni 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:293) [1] waarin deze werkwijze van de minister is besproken. Het College merkt op dat het daarbij gaat om beleid dat zijn grondslag vindt in het ongeschreven evenredigheidsbeginsel. Daaraan zal ook het bestreden besluit worden getoetst.
3 De onderneming heeft aangevoerd dat de oud-bestuurster van de onderneming door gezondheidsproblemen niet in staat is gebleken om zicht te houden op de TVL-aanvragen. Ook haar echtgenoot kampte met gezondheidsproblemen. Onder die omstandigheden zou coulance toegepast moeten worden, omdat klip en klaar is dat de onderneming recht zou hebben gehad op subsidie.
4 Het College is van oordeel dat in dit geval het afwijzen van de aanvraag niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het de eigen verantwoordelijkheid van de onderneming is om zich op de hoogte te stellen van de vereisten om voor subsidie in aanmerking te komen en in de gaten te houden wanneer de aanvraag moet worden ingediend. Uit de overgelegde medische informatie blijkt dat de oud-bestuurster en haar echtgenoot te maken hadden met ernstige medische problemen. De minister wijst er echter terecht op dat het voor andere aanvraagperiodes wel is gelukt om tijdig een aanvraag in te dienen, terwijl de medische problemen ook in die periodes aanwezig waren. Daarnaast had de onderneming er, gelet op de medische problematiek, voor kunnen kiezen om de aanvraag te laten doen door iemand anders. Al met al is niet gebleken dat het voor de onderneming niet mogelijk was om tijdig een aanvraag voor Q1 van 2022 te doen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die de afwijzing onevenredig maken.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2024.
w.g. B. Bastein w.g. L.N. Foppen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.

Voetnoten

1.De uitspraken van het College zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.