Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2024:607

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
23 augustus 2024
Publicatiedatum
28 augustus 2024
Zaaknummer
24/565
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.2 Wet dierenArt. 1.6 Besluit houders van dieren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorst last onder dwangsom voor ara wegens onvoldoende onderbouwing

De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur legde op 18 juni 2024 een last onder dwangsom op aan een houder van een ara vanwege vermeende overtreding van artikel 2.2 van de Wet dieren in samenhang met artikel 1.6 van het Besluit houders van dieren. De last betrof onder meer de omvang van het hok en het bieden van droge huisvesting.

De houder maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde op 23 augustus 2024 dat de minister onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het buitenverblijf van de ara te klein was, mede omdat de verklaring van een paraveterinair niet overtuigend was en de ara geen tekenen van lijden of letsel vertoonde. Ook was de opgelegde maatregel onvoldoende concreet en ging deze verder dan noodzakelijk.

Daarnaast was onvoldoende onderbouwd dat de ara altijd beschermd moest worden tegen regen, terwijl de richtlijn alleen bescherming tegen kou en tocht voorschrijft. De voorzieningenrechter vond het belang van de houder zwaarder wegen dan dat van de minister en schorste daarom de last onder dwangsom tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Tot slot werd het betaalde griffierecht aan de houder vergoed. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en concrete onderbouwing van bestuursmaatregelen en het wegen van belangen bij voorlopige voorzieningen.

Uitkomst: De last onder dwangsom is geschorst tot zes weken na beslissing op bezwaar en het griffierecht wordt vergoed.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 24/565
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 augustus 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] te [plaats]

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigden: mr. H.G.M. Wammes en mr. Z. Turk).

Procesverloop

Met het besluit van 18 juni 2024 heeft de minister aan [naam 1] een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren in samenhang met artikel 1.6 van het Besluit houders van dieren (Bhd) bij het houden van een ara (vogel). Met de last onder dwangsom heeft de minister aan [naam 1] de volgende verplichtingen opgelegd.
De bewegingsvrijheid van de ara mag niet zodanig worden beperkt dat de ara hierdoor onnodig lijdt en/of letsel wordt toegebracht;
De ara moet een droge huisvesting hebben waarin hij beschermd is tegen weersinvloeden. Het binnenverblijf dient vrij toegankelijk te zijn voor de ara.
[naam 1] heeft tegen de last onder dwangsom bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] en de gemachtigden van de minister.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst de last onder dwangsom tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan [naam 1] te vergoeden.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
2 De voorzieningenrechter volgt niet het betoog van [naam 1] dat de toezichthouders de woning van [naam 1] zonder zijn toestemming hebben betreden en dat het bewijs voor de overtreding onrechtmatig verzameld is. Uit het toezichtrapport blijkt dat de toezichthouders het dek van het (woon)schip hebben betreden, maar niet het woongedeelte. Van een inbreuk op het huisrecht is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.
3.1
De minister heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het buitenverblijf van de ara te klein is. De minister heeft in dit verband onder meer gewezen op de normen die zijn opgenomen in de specifieke houderijrichtlijn van de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers (houderijrichtlijn). [naam 1] heeft weliswaar een verklaring van [naam 2] , werkzaam als paraveterinair, in het geding gebracht waarin zij stelt dat de ara voldoende ruimte heeft, maar de voorzieningenrechter acht deze verklaring niet overtuigend. In deze verklaring wordt namelijk niet toegelicht waarom de kooi groot genoeg is en bovendien heeft zij de ara en de kooi niet zelf gezien.
3.2
De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het toezichtrapport niet blijkt dat de ara heeft geleden of dat letsel is toegebracht. Dat de ara volgens de toezichthouders tijdens de controle zat te rillen is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van lijden vanwege het verblijf in een te kleine kooi. Van belang is ook dat [naam 1] heeft gesteld dat de vogel meestal naar binnen kan waar hij meer ruimte heeft. De minister heeft daarmee niet aangetoond dat [naam 1] artikel 1.6, eerste lid, van het Bhd heeft overtreden. Bovendien is de opgelegde maatregel onvoldoende concreet, omdat deze niet meer dan een herhaling is van het doelvoorschrift van artikel 1.6, eerste lid, van het Bhd.
4 De minister heeft onvoldoende onderbouwd dat een ara in alle gevallen beschermd dient te worden tegen regen. De houderijrichtlijn biedt hiervoor ook geen grondslag. Deze noemt wel kou en tocht waar de ara tegen moet worden beschermd, maar niet regen. Bovendien gaat de opgelegde maatregel verder dan noodzakelijk is om de gestelde overtreding te beëindigen. Dat daarvoor nodig is dat het binnenverblijf altijd toegankelijk is voor de vogel, staat niet vast.
5 De voorzieningenrechter verwacht dat de last onder dwangsom in de bezwaarprocedure niet onverkort in stand zal blijven. De vervolgvraag is of het belang van [naam 1] bij toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening dermate zwaarwegend is dat dit dient te prevaleren boven het met de (onverkorte) uitvoering van de last onder dwangsom te dienen belang. Bij die afweging betrekt de voorzieningenrechter het volgende. De minister heeft momenteel weinig belang bij het in stand laten van de last. Het belang van [naam 1] weegt in dit geval zwaarder.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. E. van Kampen, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2024.
W.J.A.M. van Brussel E. van Kampen

Bijlage

Wet dieren
Artikel 2.2 Houden van dieren
(…)
8. Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden.
Besluit houders van dieren
Artikel 1.6 Houden van dieren
De bewegingsvrijheid van een dier wordt niet op zodanige wijze beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht.
Een dier wordt voldoende ruimte gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften.
Een dier wordt, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico’s en zo nodig roofdieren.