Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2024:455

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
9 juli 2024
Publicatiedatum
3 juli 2024
Zaaknummer
24/295
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 5:31 AwbBesluit houders van dierenRegeling dierlijke producten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen spoedbestuursdwang inbeslagname runderen

Op 25 maart 2024 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit spoedbestuursdwang toegepast op het bedrijf van [naam 1], waarbij 80 runderen zijn weggevoerd vanwege ernstige overtredingen van het Besluit houders van dieren en de Regeling dierlijke producten. Inspecteurs en een toezichthoudend dierenarts constateerden onder meer kapotte stallen, onhygiënische omstandigheden, onvoldoende ligboxen, zieke en kreupele dieren zonder behandeling, en twee kadavers die niet volgens voorschriften werden bewaard.

[naam 1] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit en verzocht om een voorlopige voorziening om de runderen terug te krijgen. Hij stelde dat de NVWA onterecht en met spoed handelde en dat de foto’s waren bewerkt. De voorzieningenrechter oordeelde dat het bestuursorgaan terecht uitging van het inspectierapport en dat er geen aanwijzingen waren voor onjuistheden in de bevindingen. De situatie werd als spoedeisend beoordeeld, zonder uitzicht op direct herstel.

De voorzieningenrechter verwierp het betoog van misbruik van machtsmiddelen en concludeerde dat het verzoek om voorlopige voorziening geen grond had. Het belang van dierenwelzijn weegt zwaarder dan het belang van [naam 1] bij teruggave van de runderen, temeer daar geen passende huisvesting aanwezig is. Het verzoek werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de inbeslagname van 80 runderen wegens overtredingen dierenwelzijn wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/295
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juli 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] ( [naam 1] ),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister)

(gemachtigde: mr. A.F.D. Weken)

Procesverloop

Op 25 maart 2024 heeft de minister op het bedrijf van [naam 1] spoedbestuursdwang toegepast wegens overtreding van diverse artikelen van het Besluit houders van dieren en de Regeling dierlijke producten. De minister heeft hierbij 80 runderen toebehorend aan [naam 1] weggevoerd en in bewaring genomen.
De minister heeft dit besluit op 27 maart 2024 op schrift gesteld (bestreden besluit).
In het bestreden besluit heeft de minister aangegeven onder welke voorwaarden de dieren terug kunnen naar [naam 1] :
1. [naam 1] betaalt de geschatte kosten voor 9 april 2024. Als hij de runderen terug
wil, dan moet hij vooraf een bedrag van € 50.635,48 betalen.
2. [naam 1] neemt maatregelen om ervoor te zorgen dat de huisvesting en verzorging van de runderen aan de wetgeving voldoet.
[naam 1] heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
De zitting was op 25 juni 2024. [naam 1] was daarbij aanwezig, vergezeld door [naam 3] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder zijn namens de minister verschenen [naam 4] en [naam 5] ( [naam 5] ).

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2 Inspecteurs en een toezichthoudend dierenarts van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben op 25 maart 2024 een controle uitgevoerd op het bedrijf van [naam 1] . Van de controle is op 2 april 2024 een rapport van bevindingen opgemaakt
.Uit dit rapport blijkt - samengevat weergegeven - dat de toezichthouders op 25 maart 2024 hebben geconstateerd dat de inrichting van de stallen op meerdere plaatsen kapot was en de situatie op hele bedrijf zeer onhygiënisch was. In de jongveestal beschikten niet alle runderen over geschikte ligboxen en waren de voerhekken te laag. Verder was sprake van scherpe en uitstekende delen in de verblijven en werd hierin beschimmeld, oud en nat voer aangetroffen. Ook werden meerdere zieke, verzwakte en kreupele runderen zonder medische behandeling aangetroffen, alsmede twee kadavers die niet volgens de voorschriften werden bewaard. Een ernstig ziek kalf dat liggend in de stal met melkkoeien werd aangetroffen bleek niet meer te redden en is diezelfde dag geëuthanaseerd. Gelet op deze situatie heeft de minister ervoor gekozen om de nog levende dieren direct mee te voeren en op te slaan bij een opslaghouder.
3 [naam 1] heeft de voorzieningenrechter gevraagd te bepalen dat de minister de runderen aan hem moet teruggeven. Als de NVWA de runderen verkoopt, zal dat leiden tot een onomkeerbaar verlies van de fokwaarde van deze runderen. Daarnaast stelt [naam 1] dat de NVWA door het wegvoeren van de runderen hem zijn inkomensmogelijkheden heeft afgenomen. Hij meent dat de werkelijke bedoeling achter dit (zoveelste) optreden van de NVWA is, te zorgen dat [naam 1] financieel niet meer in staat is de verschillende lopende gerechtelijke procedures voort te zetten. De minister heeft niet onderbouwd waar het spoedeisend karakter van de inbewaringneming op is gebaseerd. De aanwezigheid van enkele kreupele koeien en een verhoogde kalversterfte kan nooit de reden zijn voor het met spoed afvoeren van alle runderen. Verder stelt hij dat de weergave van de in het rapport beschreven omstandigheden niet overeenkomt met de waarheid en dat de foto’s door de toezichthouders zijn bewerkt.
4.1
De voorzieningenrechter stelt voorop dat een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de bevindingen in een inspectierapport. Worden die bevindingen betwist, dan dient te worden onderzocht of er grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding(en) ten grondslag kunnen worden gelegd.
4.2
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de minister terecht vastgesteld dat er sprake is van meerdere overtredingen van het Besluit houders van dieren. Uit het rapport van bevindingen, de daarbij gevoegde foto’s en video’s en de veterinaire verklaring van dierenarts [naam 5] van 2 april 2024, komt duidelijk naar voren dat zowel de gezondheid als het welzijn van de dieren ernstig en structureel werden benadeeld. Met het overleggen van een verklaring van [naam 6] van 5 april 2024 heeft [naam 1] deze bevindingen niet kunnen weerleggen. [naam 6] heeft het bedrijf van [naam 1] bezocht op 4 april 2024, tien dagen na de controle en de inbewaringneming van de dieren. [naam 6] verklaart dat hij in de twee jaar voorafgaand aan zijn bezoek niet op het bedrijf is geweest en dat hij zich daarom geen oordeel kan vormen over de gezondheidstoestand van de runderen.
De voorzieningenrechter ziet verder geen aanwijzingen waaruit zou blijken dat de door de toezichthouders gemaakte foto’s zouden zijn bewerkt en geen weergave zouden zijn van de werkelijke situatie.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat daarom geen aanleiding voor twijfel aan de bevindingen van de toezichthouders. De minister mocht de bevindingen uit het rapport dan ook aan de vaststelling van de overtredingen ten grondslag leggen.
4.3
Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat de minister de op 25 maart 2024 aangetroffen situatie terecht spoedeisend vond, dat deze geen uitzicht bood op onmiddellijk herstel en zo ernstig was dat voldoende aanleiding bestond om zonder voorafgaande last en zonder voorafgaand besluit terstond bestuursdwang toe te passen zoals bedoeld in artikel 5:31, eerste en tweede lid, van de Awb.
4.4
De voorzieningenrechter volgt [naam 1] niet in zijn betoog dat er sprake zou zijn van misbruik van machtsmiddelen omdat de controle door de NVWA op 25 maart 2024 een geheel ander doel zou hebben gehad dan te controleren of de wettelijke bepalingen inzake het houden van dieren werden nageleefd. [naam 1] heeft dit niet aannemelijk gemaakt. De voorzieningenrechter wijst verder op pagina 1 van het rapport van bevindingen, waaruit blijkt dat de inspectie van 25 maart 2024 plaatsvond naar aanleiding van het hoge percentage gestorven kalveren op het bedrijf. Dit percentage lag beduidend hoger dan het landelijk gemiddelde. [naam 1] heeft dit laatste ook ter zitting niet bestreden. De gemachtigde van de minister, de betrokken inspecteur en de toezichthoudend dierenarts hebben ter zitting laten weten dat uitsluitend zorgen over het dierenwelzijn aanleiding vormde voor de controle door de NVWA.
4.5
Bij deze stand van zaken zal het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar in stand kunnen blijven. Er is daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening vanwege gebreken in de besluitvorming.
4.6
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er ook geen aanleiding bestaat om - in afwachting van de bezwaarprocedure - een voorlopige voorziening te treffen vanwege het belang van [naam 1] bij teruggave van de runderen. Het is immers niet gebleken dat [naam 1] thans beschikt over huisvesting voor de runderen die voldoet aan de geldende wet- en regelgeving. De voorzieningenrechter acht teruggave van de dieren aan [naam 1] daarom (nog steeds) niet verantwoord. Het door [naam 1] gestelde belang van het behoud van inkomen en de fokwaarde van de runderen weegt daarbij niet op tegen het belang van dierenwelzijn.
5 De slotsom is dat de voorzieningenrechter het verzoek afwijst.
6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2024.
w.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. H.G. Egter van Wissekerke
Afschrift verzonden aan partijen op: