ECLI:NL:CBB:2024:454

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
24 juni 2024
Publicatiedatum
3 juli 2024
Zaaknummer
23/436
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.6.7 TVL-regeling
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidieaanvraag vaste lasten COVID-19 wegens te late indiening niet onevenredig

Een ondernemer diende een aanvraag in voor de TVL-subsidie over het eerste kwartaal van 2022, maar deed dit na de uiterste aanvraagdatum van 31 maart 2022. De minister van Economische Zaken en Klimaat wees de aanvraag af wegens te late indiening. De ondernemer stelde dat hij niet wist van de gewijzigde aanvraagtermijn en dat hij pas na afloop van het kwartaal de aanvraag wilde doen vanwege de beschikbaarheid van omzetcijfers. Tevens verwees hij naar eerdere toezeggingen van ministers over steun aan ondernemers en benadrukte zijn financiële afhankelijkheid.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat de minister terecht de aanvraag had afgewezen. Het College benadrukte dat het de eigen verantwoordelijkheid van de ondernemer is om de subsidievoorwaarden tijdig te kennen en dat de minister niet verplicht is ondernemers actief te informeren over gewijzigde termijnen. Het advies van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland om na afloop van het kwartaal aan te vragen, doet hier niet aan af omdat de aanvraag op basis van een schatting kan worden gedaan.

De algemene uitlatingen van ministers vormen geen individuele toezeggingen en kunnen de afwijzing niet rechtvaardigen. Ook de financiële situatie van de ondernemer rechtvaardigt geen uitzondering. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van de ondernemer tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag wegens te late indiening wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/436
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2024

Rechter: mr. M. van Duuren

Griffier: mr. A. Verhoeven

Partijen

[naam 1] handelend onder de naam [naam 2], te [woonplaats] , (de ondernemer), waarvoor aanwezig is [naam 1]
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door W. Dam en A.M.D. Dijkstra

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De aanvraagperiode voor een TVL-subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 tot 31 maart 2022 (artikel 2.6.7 van de TVL). Dit stond ook op de website van de RVO.
2. De minister heeft de TVL-aanvraag van de ondernemer voor Q1 van 2022 afgewezen omdat de aanvraag niet binnen de aanvraagperiode is ingediend. Vaststaat dat de ondernemer geen aanvraag ingediend. De reden daarvoor was dat de ondernemer niet wist dat de aanvraagtermijn op 31 maart 2022 eindigde. Hij ging ervan uit dat, net als in de vorige periodes, een aanvraag kon worden ingediend na de subsidieperiode. De minister had volgens de ondernemer erop moeten wijzen dat het voor deze periode anders was, ook omdat ondernemers toen druk waren met het weer opbouwen van hun ondernemingen. Bovendien heeft RVO aangeraden om pas na afloop van een kwartaal TVL aan te vragen omdat de omzetcijfers dan duidelijk zijn. Tenslotte beroept de ondernemer zich op de uitspraken van de Jonge en Rutte dat ondernemers steun zouden krijgen en wijst hij erop dat zijn gezin afhankelijk is van zijn inkomen.
3. Het College toetst de beslissing van de minister op evenredigheid omdat aan die beslissing ook het (ongeschreven) evenredigheidsbeginsel ten grondslag ligt.
4. Het College is van oordeel dat de omstandigheden die de ondernemer aanvoert niet maken dat de afwijzing van de aanvraag onevenredig is. De minister heeft terecht gesteld dat het de eigen verantwoordelijkheid is van een ondernemer om zich op de hoogte te stellen van de voorwaarden om voor subsidie in aanmerking te komen. De minister is niet gehouden om ondernemers van een afwijkende (van eerdere aanvraagtermijnen) aanvraagtermijn actief op de hoogte te stellen. Het lag op de weg van de ondernemer om tijdig kennis te nemen van de TVL-voorwaarden en de aanvraag op tijd in te dienen. Dat RVO zou hebben aangeraden pas na het subsidiekwartaal de aanvraag in te dienen omdat de omzetcijfers dan bekend waren, maakt dat niet anders. De aanvraag kan gedaan worden en wordt ook doorgaans gedaan op basis van een schatting van de omzet, bijvoorbeeld aan de hand van een vorig kwartaal.
5. De mededelingen van ministers de Jonge en Rutte waar de ondernemer naar verwijst, zijn algemene uitlatingen en geen toezeggingen. De TVL kent voorwaarden. De concrete aanvraag van individuele ondernemers moet daaraan voldoen en dat is niet zo in het geval van de ondernemer. Dat de ondernemer financieel moeilijk zat, verklaart niet waarom de ondernemer de aanvraag te laat heeft ingediend en rechtvaardigt dit niet. Dat het geduld van de ondernemer op de proef is gesteld, is vervelend, maar maakt het besluit niet onevenredig.
6. De minister heeft de TVL-subsidie terecht afgewezen. Het beroep ongegrond en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. M. van Duuren w.g. A. Verhoeven