Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 maart 2024 in de zaak tussen
Maatschap [naam 1] ( [naam 1] ) te [plaats] ,
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Procesverloop
Overwegingen
Volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen bezwaar worden gemaakt tegen een besluit dat algemeen verbindende voorschriften inhoudt, zoals het Besluit diergezondheidsheffing. De minister heeft ten onrechte aangenomen dat het bezwaar van [naam 1] ook was gericht tegen het Besluit diergezondheidsheffing en niet alleen tegen het heffingsbesluit. Dat was dus geen geldige reden voor de minister om het bezwaar deels niet-ontvankelijk te verklaren. Het College vernietigt dat gedeelte van het bestreden besluit en beslist verder dat de minister niet opnieuw hoeft te beslissen op het bezwaar.
Uit de hiervoor genoemde andere beslissing van het College volgt dat het gedeelte van het bestreden besluit waarbij het bezwaar tegen het heffingsbesluit ongegrond is verklaard, in stand blijft. Het College volgt niet het betoog van [naam 1] dat de minister ten onrechte een heffing heeft opgelegd voor de afvoer van varkens tussen verschillende bedrijfslocaties van één rechthebbende. Uit de Gwwd volgt dat de diergezondheidsheffing wordt geheven voor het houden van varkens in de uitoefening van een bedrijf. Het aantal gehouden varkens wordt bepaald op basis van het aantal varkens dat in het kalenderjaar uit de stal is afgevoerd. De Gwwd bevat geen definitie van het begrip ‘bedrijf’. Het College oordeelt dat de minister mocht uitgaan van de definitie van ‘bedrijf’ in de Regeling identificatie en registratie van dieren (Regeling I&R). Uit deze definitie volgt dat een bedrijf altijd op één locatie is gevestigd en dat elke locatie een eigen Uniek Bedrijfsnummer (UBN) heeft. Dat betekent dat wanneer varkens worden afgevoerd naar een andere locatie er sprake is van afvoer, ook als beide locaties toebehoren aan dezelfde rechthebbende. Dat is ook het geval als varkens vervolgens nog van de tweede locatie van dezelfde rechthebbende worden afgevoerd naar een derde locatie, die ook toebehoort aan dezelfde rechthebbende. Het College ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het tarief onevenredig en in strijd met het gelijkheidsbeginsel is.
Het beroep wat betreft het gedeelte van het bestreden besluit waarbij het bezwaar tegen het heffingsbesluit ongegrond is verklaard zal ongegrond worden verklaard. Dat gedeelte van het bestreden besluit blijft dus in stand.
Beslissing
Bijlage
1. Van iedere wijziging van de gegevens, bedoeld in artikel 2, derde lid, doet de houder binnen 30 dagen nadat deze wijziging zich heeft voorgedaan opgave onder vermelding van het UBN van het betrokken bedrijf.