ECLI:NL:CBB:2023:689
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing afwijzing TVL-subsidie en herzieningsverzoeken onderneming
Deze uitspraak betreft vijf zaken waarin een onderneming beroep instelde tegen besluiten van de minister van Economische Zaken en Klimaat die haar aanvragen voor de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) subsidie en herzieningsverzoeken afwezen. De kern van het geschil betrof de berekening van het omzetverlies en de keuze van het referentiekwartaal, waarbij de onderneming betoogde dat het derde kwartaal van 2020 niet representatief was.
Het College oordeelde dat de minister terecht het derde kwartaal van 2020 als referentiekwartaal hanteerde, conform de bepalingen van de TVL-regeling, die geen ruimte laat voor afwijking naar de feitelijke startdatum van de onderneming. Het feit dat andere regelingen andere referentieperioden hanteren of dat een andere berekeningswijze mogelijk is, maakt de TVL-regeling niet onrechtmatig of onevenredig.
Verder werd geoordeeld dat het beroep op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM faalt, omdat de afwijzing van subsidie niet neerkomt op ontneming van eigendom. Voor twee zaken werd ambtshalve vastgesteld dat er geen procesbelang was, waardoor deze beroepen niet-ontvankelijk werden verklaard.
Uiteindelijk verklaarde het College de beroepen in drie zaken ongegrond en in twee zaken niet-ontvankelijk, zonder proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid en proportionaliteit van de ministeriële beslissingen binnen de generieke TVL-regeling.
Uitkomst: Het College verklaart drie beroepen ongegrond en twee niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, waarbij het gebruik van het derde kwartaal 2020 als referentieperiode terecht is.